Recensie: 'What the Romans Knew About Winning A War': De burgeroorlogen van Appianus

14 maart 2017 , door Jip Lemmens
| |

De geschiedenis van de late Romeinse Republiek klinkt als het plot van een dystopische roman over een willekeurige moderne westerse democratie: ongelijke welvaartsverdeling leidt tot politieke onrust en populisme; na een tweetal moorden op populistische politici breekt er burgeroorlog uit tussen de oude, regenteske elite en het nieuwe soort politici ‘voor het volk’; een meedogenloze opportunist wint, wordt daarmee de facto alleenheerser en uiteindelijk stamvader van een dynastie. Zijn dit geen bekende angstbeelden?

Historische parallellen laten zich makkelijk trekken en kunnen rechtsom of linksom gemaakt worden. Was Julius Caesar als Trump: een meedogenloze opportunist, ‘verrader van zijn klasse’? Nee, meer als Clinton: linkse elite, telg uit een politiek genus met dynastieke ambities! Demagoog of volksbevrijder? Je oordeel hangt zowel af van je opvattingen over Caesar als over moderne politici. En van je kennis over die tijd – en daarom is het zo goed dat John Nagelkerkens nieuwe Appianus-vertaling er is.

Leemtes

Door de eeuwen heen is de Romeinse Republiek voor allerlei politieke doeleinden ingezet. Onder anderen de Franse revolutionairen en de Amerikaanse founding fathers spiegelden hun eigen tijd aan die eerste republikeinse eeuwen van Rome.

Interessant genoeg is het heden ten dage vooral populistisch rechts dat de Romeinse geschiedenis claimt. Alt-righters zien in het hedendaagse Amerika een spiegeling van de Romeinse Republiek in crisis (zie het recente artikel van Thijs Kleinpaste in De Groene Amsterdammer) en op de ethnonationalistische nieuwssite Breitbart.com verschijnen met enige regelmaat artikelen met titels als ‘ISIS Delenda Est – What the Romans Knew About Winning A War’ en ‘America Has Been Warned: Edward Gibbon’s The Decline and Fall of the Roman Empire’. Arron Banks, UKIP-financier en leidend figuur achter de Brexitcampagne, tweette dat het Romeinse Rijk ‘in feite vernietigd is door immigratie’. We worden geacht zelf onze conclusies te trekken over de toekomst van de EU.

De tegenwoordigheid van zulke tendentieuze analogieën in het publieke debat maakt het verschijnen van de allereerste Nederlandse vertaling van De burgeroorlogen van de griekstalige historiograaf Appianus (95-165 n.Chr.) des te relevanter: dit boek vult leemtes. Niet alleen is Appianus een vreselijk onderbestudeerde en weinig gelezen auteur – zijn werk is het enige overgeleverde doorlopend narratief van (bijna) het gehele einde van de Romeinse Republiek. Voor een deel van die periode is Appianus zelfs de énige overgeleverde antieke bron. Dat alleen al maakt deze vertaling van grote waarde.

Maar niet alleen voor historici is dit boek interessant: antieke geschiedschrijving was een literair evenzeer als een wetenschappelijk genre. Appianus’ geschiedwerk is zowel bron als verhaal: genre, stijl en structuur van het werk moedigen aan om De burgeroorlogen niet alleen te gebruiken, maar ook te lezen.

Appianus, fiscaal provinciaal

De burgeroorlogen is een deel van het gigantische geschiedwerk Rhomaïkè Historia (Romeinse Geschiedenis). In dat werk beschrijft hij verschillende episodes uit de Romeinse geschiedenis, uitgesplitst naar regio. Italië behandelt hij in De burgeroorlogen, dat ongeveer een vijfde van het hele werk beslaat. Het is een min of meer afgesloten geheel, wat de selectie van vertaler John Nagelkerken rechtvaardigt. Appianus schreef dit werk als vergriekste Egyptenaar zo’n tweeëneenhalve eeuw na het aantreden van Augustus, in het vreedzame tijdperk van de Antonijnse keizers. Deze positie als Griekstalige ‘provinciaal’ op dat moment in de tijd geeft hem de gelegenheid met enige afstand over het onderwerp te schrijven, al is hij genoeg op de hoogte van het Romeinse politieke bedrijf om er met autoriteit over te schrijven. Over zijn leven is overigens verder niet veel bekend, behalve dat hij fiscaal ambtenaar was en beschikte over enige politieke connecties in de keizerlijke kringen.

Sociale spanningen

Het boek begint bij het einde van de tweede eeuw voor Christus, als Rome na succesvolle oorlogen tegen haar westelijke concurrent Carthago en haar hellenistische concurrenten in het Oosten veruit het machtigste en welvarendste rijk van de Méditerrannée is geworden. De welvaart is vooral terecht gekomen bij een nieuwe klasse van zakenmannen die nu tussen de senatoriale bovenklasse van regenten en de verarmde boerenklasse is komen te staan. Dit leidt tot sociale spanningen aan twee kanten: aan de ene kant is er misnoegen bij de nouveaux riches, die hun welvaart in politieke macht uitgekeerd willen zien, en aan de andere kant grote onvrede bij de boeren van wie er veel, vroeger zelfstandig maar gedwongen hun land te verkopen, in een uitzichtloze situatie van halve slavernij zijn beland. Daar komt bij dat de Latijnse ‘bondgenoten’ (andere Italische volkeren die onder Romeins gezag stonden) geen Romeins burgerrecht hadden, daardoor geringe politieke invloed genoten maar dat steeds dringender begonnen op te eisen.

Appianus laat zien hoe vanuit deze explosieve toestand de gehele eerste eeuw voor Christus zich ontspint. Na de politieke moord op de populist Tiberius Gracchus wegens zijn revolutionaire voorstellen tot herverdeling van land en uitbreiding van burgerrechten is de kurk van de fles. De bondgenotenoorlog tussen Rome en de Italische volkeren begin jaren tachtig, de twee burgeroorlogen tussen popularis Marius en optimaat Sulla niet veel later, Pompeius en Caesar in de jaren veertig, Antonius en Octavianus (de latere keizer Augustus) in de jaren dertig – telkens laat Appianus zien hoe elk nieuw conflict, het een nog dodelijker dan de ander, uit het vorige voortvloeit.

Herhaling als stijlkeuze

Die onvermijdelijkheid toont hij niet alleen inhoudelijk maar ook vormelijk: herhaling is een belangrijk structurerend element in Appianus’ werk. Motieven worden herhaald tot het haast type scenes worden (‘de verklede ontsnapping’ of ‘de gesuste soldatenopstand’ komen bijvoorbeeld meerdere keren met min of meer hetzelfde verloop voor). De literaire waardering voor Appianus is onder andere door het gebruik van dit soort herhalingen in het verleden niet groot geweest. In vergelijkingen met antieke literaire grootheden heeft hij nooit stand gehouden en dat is tot op zekere mate terecht. Bij Appianus is geen ‘stilistisch vuurwerk’ te vinden, zoals Jacqueline Klooster in de (uitstekende) inleiding opmerkt. Toch valt er wel degelijk iets voor zijn schrijfwijze te zeggen.

Een onderwerp zo gruwelijk als honderd jaar burgeroorlog vraagt om literaire keuzes. Na zijn overwinning telt Caesar nog maar de helft van het aantal Romeinse burgers van vóór de oorlog: hoe breng je zo’n gruwelijk bloedbad onder woorden? Verschillende antieke schrijvers gaan op verschillende manieren met dit stijlprobleem om. Lucanus (39-65 n.Chr.) besluit om de gruwelen van de burgeroorlog te beschrijven met horror en barok. Vergilius (70-19 v.Chr.) kiest in een situatie waarin welbeschouwd niemand onschuldig kon zijn voor de moreel ambiguë antiheld Aeneas. Appianus maakt, als Grieksschrijvende tweede-eeuwer met iets meer distantie, de keuze voor een stroom zinnen die, conflict na conflict, steeds meer benauwt; een effect dat de vertaler nog versterkt door de vaak lange Griekse zinnen in kleinere stukken te snijden. Dat levert helder en bondig, soms wat opsommerig proza op.

Maar de repetitieve stijl werkt wel. Het maakt van de politieke spanning tussen Pompeius en Caesar een van de hoogtepunten van het werk: minder een meeslepend verhaal vol anekdotes (hoewel die er ook in zitten), en meer een langzaam escalerende herhaling van zetten. Zagen we dezelfde manoeuvres niet al bij het conflict tussen Marius en Sulla enkele decennia daarvoor? Elke beweging is hier een herhaling én een verheviging. Het leidt bij tijd en wijlen tot beklemmende literatuur, en geeft een idee van de historische noodzakelijkheid die Appianus probeert bloot te leggen.

Hier komt nog bij dat de Romeinen de gewoonte hadden om slechts een handjevol verschillende namen te gebruiken, waardoor we al strijdende Caesars en Pompeiussen vinden in de jaren tachtig. En ene Octavius – niet de latere keizer Augustus – verslaat generaal Marcus Antonius al zo’n twintig jaar vóór de beroemde Slag bij Actium. Je krijgt zo het gevoel dat de Romeinse geschiedenis zich tragisch herhaald heeft vanaf het moment dat Romulus zijn broertje Remus doodde en Rome stichtte. Je wacht op de klucht, maar elke vorm van comic relief blijft uit.

Veilige keuze

De tegenstelling tussen historische noodzakelijkheid en het menselijk vermogen om de geschiedenis naar zijn hand te zetten is een gangbaar thema in de Griekse en Latijnse literatuur. Appianus voegt zich duidelijk in deze traditie: zoals gezegd laat hij zien hoe onvermijdelijk degeneratief de loop van de geschiedenis kan zijn. Soms maakt hij echter een uitzondering. Voor zover er gezegd kan worden dat Appianus partij kiest, zijn het de ‘grote mannen’ van de geschiedenis – Sulla, Caesar, Octavianus – die zijn sympathie hebben. Zij hebben met hun krachtige optreden een tijdelijk einde kunnen maken aan de mateloze reeks bloedige conflicten. Zo’n insteek moet gezien zijn connecties met het keizerlijk hof een veilige politieke keuze geweest zijn, en dat past bij het beeld dat we van de schrijver krijgen. Appianus was geen subversief auteur.

Dat de vertaler er voor heeft gekozen om geen jaartallen in de kantlijn af te drukken is jammer, maar niet onoverkomelijk en wordt ruimschoots goedgemaakt door het toegankelijk maken van deze tekst voor een Nederlands publiek. In tijden waarin kennis van de Romeinse geschiedenis als politiek instrument ingezet wordt, is dit boek geen overbodige luxe. Historici, literair geïnteresseerden en zij met een belangstelling voor hedendaagse politiek zullen iets in De burgeroorlogen vinden.

Jip Lemmens studeert Klassieke Talen en is redacteur van WAU.

MINDBOOKSATH : athenaeum