Recensie: De goden in de praktijk

10 april 2018 , door Diederik Burgersdijk
| | | |

Leven met de goden, een titel ontleend aan de Romeinse keizer-filosoof Marcus Aurelius, is precies de benadering die Inger Kuin, docent en onderzoeker Oude Geschiedenis aan de Groningse universiteit, kiest om antieke religie te beschrijven. Een onderwerp als religie in de oudheid, zoals de ondertitel luidt, roept moderne associaties op die het religieuze leven in de Oudheid niet dekken. In het eerste hoofdstuk oppert ze dan ook provocerend dat er misschien wel helemaal geen religie in de Oudheid was, maar slechts een omgang met hogere machten in de praktijk, door verering, rituelen en gebed. Voor zover er een theorievorming over de metafysica bestond (wat de moderne mens als theologie zou beschouwen), behoorde dat meer tot het terrein van filosofie en literatuur, die dan ook vloeiender overliep in discussies die met de goden te maken hebben.

Verhalen

Kuin legt de omgang met de goden in smetteloze stijl uit in negen hoofdstukken met een thematische opzet. Ze bedeelt de rituele en maatschappelijke betekenis veel aandacht toe, terwijl ze moraliteit en ethiek wel noemt, maar de rol daarvan niet nader belicht. De verhalen waarmee ze al die aspecten ondersteunt zijn een genot om te lezen.

Zoals de belevenissen van Parmeniscus (zoals veel namen niet in de in principe handige index), die voortkomen in een behandeling van religieus toerisme en het materiaal waaruit goden zijn gemaakt (steen, hout, marmer, en wat al niet). De schikking van de godenvergadering zoals Lucianus die beschreef, is al even geestig. Humor over goden en lachen over religieuze praktijken in dit boek neemt sowieso een voorname plaats in – niet zonder effect op de lezer.

Veranderingen

Een van Kuins doelstellingen is de Oudheid niet als monoliet te beschouwen, maar ook de veranderingen en innovaties te tonen. Veranderingen in de religie van de Romeinen ten opzichte van de Griekse uiten zich in historisch opzicht in de vergoddelijking van de keizer, of de voortgaande tendens naar monotheïsme, waarover ze zich kritisch betoont: de tolerantie nam flink af. Ook kritisch is de auteur ten aanzien van hedendaagse ‘ietsisten’, die zouden redeneren uit onmacht en gemakzucht.

Dat lijkt mij te negatief: ook in de Oudheid was er de stroming van (niet genoemde) sceptici, die niet wisten wat ze van hogere zaken moesten denken. Een voorbeeld daarvan is Pyrrho, op wie een grafschrift in de vorm van een epigram bestaat waarin hem herhaaldelijk wordt gevraagd of hij dood is. ‘Misschien, het is in een graf niet te zien,’ zegt hij daar. Is een scepticus ietsist of agnost? Kuin lijkt het verschil te leggen in de mate van theorievorming, omdat de grote filosoof Protagoras tot de agnosten wordt gerekend.

Ook filosofen van andere stromingen, zoals Cicero, behandelt ze wel, maar de filosofisch-religieuze stromingen waartoe zij behoren minder. Een voorbeeld daarvan is de Nieuwe Academie of het eclecticisme, die verschillende klassieke filosofieën tot een nieuwe eenheid smeedden - zij het dat de vraag gerechtvaardigd is of er hier niet sprake is van een ‘encyclopedie van de theologie’.

Overzicht

Het sterke van Kuins boek is dat zij door beschrijving en voorbeelden laat zien hoe leven met de goden in de praktijk werkte, gecombineerd met ideeën uit de moderne religiewetenschap. Vanuit dat oogpunt zou de combinatie van de reizende antiquariër Pausanias en zijn moderne interpreet Frazer (die alleen in het bibliografisch hoofdstuk figureert) inzichtelijk kunnen zijn. Het boek blijft, hoe sterk ook in wat het wel brengt, een overzicht waarin keuzes gemaakt moeten worden. Complementair is het omvangrijke Pantheon (2018) van Jörg Rüpke, een auteur waaraan het onderhavig boek schatplichtig is.

Kleine kritische noten zijn te plaatsen bij de behandeling van de doorbraak van het christendom onder Constantijn, waar de mening van de kerk tegenover die van ‘de meeste historici’ wordt geplaatst, een ideologische tegenover een wetenschappelijke mening kortom. Beter was het geweest wanneer de positie in het Griekstalige oosten (Azië, Noord-Afrika) tegenover het Latijnse westen was gezet, waar aanzienlijke verschillen in christelijke aanhang bestonden in termen van kwantiteit, en de positie van de keizers daarin – er waren er meer.

Zo is het ook niet aantoonbaar dat Constantijn ‘naar eigen zeggen’ met behulp van de christelijke god de overwinning in Rome behaalde in het jaar 312 - ook dit moet onder de kerkelijke mening worden gevat, die van Eusebius, ná Constantijns dood in het jaar 337.  En als Kuin de Bataafse tempel van Empel behandelt, wekt het verbazing dat ze niet de zustertempel in het Betuwse Elst in de behandeling meeneemt, wat mogelijk op een verschil in private en publieke verering van de geromaniseerde god Hercules Magusanus duidt - een verschil dat in eerdere hoofdstukken wel voor de Griekse wereld wordt gemaakt, en met succes.

Oproep

Een lezenswaardig boek, van een type dat in het Nederlands nog niet voorhanden was, en daarbuiten ook niet overvloedig. Het leent zich haast voor uitbreiding tot een standaardwerk, want de gekozen invalshoek levert nieuwe inzichten op. Do ut des, zeiden de Romeinen in offergebeden, ‘Ik geef opdat u geeft’, waarin ik aan toe wil voegen: da quia dedisti, ‘Geef omdat u zich al eerder tot geven bereid hebt betoond’. Een bescheiden oproep.

Diederik Burgersdijk is docent klassieke talen aan het Cartesius Lyceum te Amsterdam, en docent Latijn aan de Radboud Universiteit. Hij schreef De macht van de traditie. Het keizerschap van Augustus en Constantijn [fragment] en De sluipwesp en de leliën [fragment].

MINDBOOKSATH : athenaeum