Recensie: De grap van Heterdaad en voetnoot

17 december 2018 , door Fleur Speet
|

Een recensie van Heterdaad van Johan Harstad is totaal overbodig. Dat u het maar weet. De mosterd zit in deze verhalenbundel namelijk al bij de maaltijd. Wie deze misdaadverhalen van Harstad gaat lezen – de Noor die vorig jaar bekend werd met de briljante turf Max, Mischa en het Tet-offensief – krijgt een volledige annotatie mee, een notenapparaat dat dikker is dan de verhalen samen. Slim, verwarrend en gekscherend, dat is dit werk. Te lichtvoetig voor iets echts, maar desalniettemin te grappig om in een la te laten liggen.

N.B. We publiceerden eerder voor uit Heterdaad. En uit Max, Mischa en het Tet-offensief, dat Fleur Speet ook besprak, waarvoor Gerwin van der Werf een laudatio uitsprak en waarbij de vertalers een toelichting schreven.

De noten worden de roman

Harstad schreef Heterdaad als opwarmertje terwijl hij zwoegde op zijn fenomenale roman Max, Mischa en het Tet-offensief, die recentelijk de Europese Literatuurprijs kreeg toegekend (een prijs die heel terecht ook naar vertalers Edith Koenders en Paula Stevens gaat, van wie Stevens ook Heterdaad vertaalde). Heterdaad is net een Droste-blik. Er staan drie namen op de kaft, waarvan twee fictief. Harstad pende alles tussen de kaften op, maar de verzameling korte verhalen is van de miskende auteur Frode Brandeggen. En dat deze auteur miskend is, komen we dan weer te weten via zijn pleitbezorger Bruno Aigner (in Harstads kluif is de pleitbezorger van Mischa’s kunstwerken ook een Bruno). 

Het is onleesbaar, een verhaal dat voortdurend wordt onderbroken door voetnoten. Soms kent bijna iedere zin een voetnoot, één voetnoot verwijst zelfs naar een voetnoot. Geerten Meijsing deed iets soortgelijks in De ongeschreven leer: dat was een 500 pagina’s dikke roadmovie over twee geleerden die pythagoreïsche raadsels moesten ontcijferen en waarin net als bij Harstad het belangrijkste in de noten stond: de lezer spiegelde de hoofdpersonen in hun hoofdbrekens over het priegelende en uitdijende notenapparaat. Het boek keerde om in zijn tegendeel: de noten werden de roman. Uniek is het dus niet wat Harstad doet, maar grappig is het zeker. Vooral omdat het met ernstige ironie is opgetekend.

Brandeggen wilde de tijd van de lezer niet verspillen, en dus komt hij steeds rap to the point in zijn verhalen. In een paar pagina’s is de dader gevonden en wordt ingerekend: ‘Kip, ik heb je!’ Waarop bijna steeds iets volgt in de trant van: ‘“Damn it!” riep de dief. “Je bent echt té goed.”’ Bruno Aigner noemt het slapstickhumor. Volgens mij schreef Harstad zich zo niet alleen warm, hij probeerde ook uit hoe hij op meta-niveau naar zijn grote roman kon kijken. Het is oefenen in scherpheid, in kortbondigheid voor een boek dat uiteindelijk 1229 pagina’s zou tellen. 

Kritiek met avant-garde óp de avantgarde

Brandeggen schreef net zo’n dik boek als Harstad. Brandeggen echter kreeg zijn roman niet gepubliceerd, het was een zwaar onmogelijk avantgarde-kunststuk. Hiermee verdoezelt Harstad wellicht zijn eigen angst jaren aan een enorm verhaal te werken en zich mogelijk te vertillen. De grap is nu dat alle verschillende lagen fictie in Heterdaad zorgen voor een aanval op de avantgarde-literatuur, terwijl Heterdaad tegelijk avant-garde ís. 

Het is misschien wat vergezocht, maar ik lees dit avantgarde-werk ook als een commentaar op de huidige maatschappij waarin we allemaal maar leuteren en tetteren over onszelf zonder werkelijk geïnteresseerd te zijn in een ander. De moderne mens krijgt zijn trekken thuis. Zo kaal als het eerste deel van het boek is, met de volledig afgepelde thriller-verhalen, zulk gezever en gewauwel is het tweede deel, waarin iedere komma hoogdravend betekenis krijgt en verwoed gezocht wordt naar de diepere drijfveren van de schrijver. Oh ironie.

Waar is de bedding?

Het probleem met zulke grappen is natuurlijk de leesbaarheid: de grap zit zichzelf in de weg en schiet misschien zelfs wel z’n doel voorbij, ondanks de briljante stijl. Is al die overdrijving en ingewikkelde uitweiding nog wel de moeite van het lezen waard? Het lijkt een beetje op de stukken in Max waarin Mischa’s kunst met grote woorden en veel omhaal werd toegelicht en uitgelegd. Daar ging zulke speelsheid goed, het duurde net niet te lang om vermoeiend te worden. Hier twijfel ik. Het is amusant, maar ik blijf er zonder de warme bedding van het verhaal even koel onder als de schrijver. Je raakt uit de tekst, de magie verbreekt. En non-fictie, het genre van het essay dat duidt waarom een werk is zoals het is, is echt een vak apart. Wat mij betreft is dat de hoogste kunst; te kunnen enthousiasmeren om te lezen. En nee, Bruno en daarmee Harstad, beheersen dat vak niet geweldig goed. Dat moeten we toch aan de Joost Zwagermannen van deze wereld overlaten.

Tot slot is er nog iets bevreemdends aan de hand. Ware dit een debuut geweest, dan stonden hier louter ronkende en lovende woorden. Dan kon je je vingers erop natellen dat er een groot romancier geboren was. Nu is het andersom. De grote romancier, nota bene een van de beste van Europa, is al opgestaan en komt nu met dit douceurtje. Hopelijk werkt Harstad weer dodelijk serieus aan een nieuwe verhalenbundel of roman. Ik kan niet wachten. 

Fleur Speet is literair recensent. 

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum