Leesfragment: De technodicee, de grap en de vriendschap

18 juni 2018 , door Miriam Rasch
| |

Zoals de theodicee de vraag stelt hoe het bestaan van God en dat van het kwaad in de wereld samen kunnen gaan, zo vraagt de technodicee hoe het kan dat er nog steeds kwaad is in een door technologie gedreven wereld. Het is die vraag die Richard Kracht probeert te beantwoorden in de roman Kracht van de Zwitser Jonas Lüscher (vertaling Gerrit Bussink). Om rustig te kunnen schrijven laat hij vrouw en kinderen achter in Tübingen in Duitsland en reist af naar het hol van de leeuw, Silicon Valley.

Die idiote wedstrijd

In de tijd van Leibniz, de bekende filosoof van de theodicee, was het gebruikelijk om prijsvragen uit te schrijven onder filosofen, met een vraag die kennelijk zo prangend was dat de grootste denkers zich er in competitie over zouden buigen. Een gebruik dat Tobias Erkner, ‘entrepreneur, investor and founder of The Amazing Future Fund’ in ere herstelt door een prijs van een miljoen dollar uit te loven aan degene die het beste weet te betogen ‘waarom alles wat is, goed is, en waarom we het toch kunnen verbeteren’. Het winnende betoog moet visionair, pragmatisch en bovenal optimistisch zijn. Echt iets voor een hoogleraar uit Tübingen.

Kracht heeft het geld echter dringend nodig, om op een waardige manier van zijn vrouw te kunnen scheiden. Met een miljoen dollar kunnen ze letterlijk hun vrijheid kopen, is het idee: ‘Goed, had ze gezegd, ga maar naar Stanford en win die idiote wedstrijd, dan kunnen we het ons namelijk veroorloven dit experiment hier te beëindigen.’ De druk is daarmee nogal hoog opgetast en de vraag of Kracht onder die druk staande zal weten te blijven voert Lüscher in de loop van de roman met haast boosaardig venijn op. Zal het kwaad sterker blijken dan het optimisme, dan de belofte van een miljoen of de nieuwste livestream-app uit de koker van Stanford University?

Stevige zinnen met genoeg te lachen

Kracht doet op veel vlakken denken aan Klont [onze recensie], de roman van Maxim Februari over het dataïsme en de knulligheid van iedereen die ermee in aanraking komt. Lüscher schrijft evenals Februari met veel ironie over die merkwaardige wezens die bij het zien van de technologische toekomst ofwel terug in hun schulp kruipen als een oude zeeschildpad (Kracht) ofwel als een soort kindse puppy’s beginnen de kwispelen en kwijlen (Erkner).

En net als bij Februari ontbreekt toch nooit de ernst. Dat heeft te maken met het onderwerp – schrijven over theodicee en technodicee geeft nu eenmaal gewicht aan een tekst – maar ook met de stijl. Hier geen lichtvoetige, korte zinnetjes of pingpong-dialogen zoals je dat wel tegenkomt in hedendaags-ironische literatuur, maar stevig geconstrueerde, lange zinnen, waarbij dus wel genoeg te lachen valt. Zoals wanneer Kracht in gesprek raakt met twee Stanford-studenten:

‘Er bestaat altijd een succes dat anderen je toekennen en een succes dat je jezelf toekent, en hoe meer moeite je doet om die twee met elkaar in overeenstemming te brengen, hoe evidenter het wordt dat je geen idee hebt hoe succesvol de anderen je vinden; daar kom je gewoon nooit achter, omdat je altijd rekening moet houden met leugens, gemeenheid en afgunst, en juist daarom heb je geen andere keuze dan te vertrouwen op je eigen gevoel, en dat slingert – daar was Kracht al in zijn puberteit achter gekomen – steeds heen en weer tussen zelfhaat en grootheidswaanzin. Hoe konden die twee halvegaren toch geloven dat ze die fundamentele aporie met een app te lijf konden gaan? Blind, denkt Kracht, kwantitatieve blindheid.’

Vriendschap, en politiek

De roman is echter niet alleen maar een kritisch-ironische afrekening met de oppervlakkigheid van Silicon Valley. Het is ook het verhaal van een vriendschap: die tussen Kracht, als student een overtuigd kapitalist en daarmee een buitenstaander in het Berlijn van de jaren tachtig, en István, die per ongeluk is gevlucht uit Hongarije en evenzeer onder de indruk raakt van het opkomende neoliberalisme als zijn nieuwe Duitse boezemvriend. Daarmee wordt Kracht ook nog eens een politieke geschiedenis, verteld vanuit het ongebruikelijke perspectief van de rechts-georiënteerde buitenstaander.

Dat opstel over het kwaad, zoveel mag duidelijk zijn, schrijft zich niet vanzelf. Waarmee, kun je zeggen, de superioriteit van de romanvorm boven een volgend miljoenenidee uit de Valley ook weer eens bewezen is.

Miriam Rasch studeerde literatuurwetenschap en filosofie en werkt als onderzoeker en docent media/filosofie bij de Hogeschool van Amsterdam. Vorig jaar verscheen bij De Bezige Bij haar essaybundel Zwemmen in de oceaan. Berichten uit een postdigitale wereld [fragment]. Meer op miriamrasch.nl.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum