Recensie: Jan Švankmajer, de bekendste onbekende filmmaker

20 maart 2018 , door Helen Westerik
| | |

Filmmaker en kunstenaar Jan Švankmajer is de bekendste onbekende filmmaker. Hij is vooral ‘bekend’ van zijn films met stop-motion animaties, meestal met onsmakelijke eetscènes. Maar noem hem liever geen animator. Niet alleen heeft hij zelf een hekel aan het woord, ook is hij mijlenver verwijderd van schattige Disneyfilms of zelfs claymation van mensen als Nick Park. Zijn universum is dat van het surrealisme en misantropie. Keith Leslie Johnsons uitstekende monografie gaat diep in op zijn werk: waar het vandaan komt en hoe het in een filosofische en kunsthistorische context te plaatsen. Want zomaar even een tekenfilmpje pakken is er niet bij.

Dat ligt niet alleen aan de techniek: hij gebruikt gevonden voorwerpen, dierenskeletjes en klei, die hij beeld voor beeld animeert en combineert met live action, maar zeker ook door de inhoud. Hij maakte heel persoonlijke interpretaties van Alice in Wonderland, Faust en het werk van de Sade, waarbij de literatuur een vertrekpunt vormde waarop hij vrijelijk associeerde. Zijn laatste, onlangs op het IFFR in première gegane film Insects (Hmyz) is gebaseerd op het werk van de gebroeders Čapek, Ze života hmyzu (Het insectenspel).

In vijf thematische delen ontleedt Johnson het werk van Švankmajer aan de hand van citaten, bronnen, vergelijkingen met andere kunstenaars en filmmakers, filosofen en eigen interpretaties. De delen zijn min of meer chronologisch, we beginnen in de jaren vijftig en zestig waar Švankmajer in de Praagse kunstscene begint met zijn opleiding aan de school voor toegepaste kunsten en de theaterschool. Een logische volgende stap is werken bij verschillende theatergroepen die zowel het volkse als het avantgardistische omarmen.

Hij leert zijn weg kennen in decorontwerp, schilderen, muziek, beeldhouwen, film, acteren, poppenspel en dans, zonder een duidelijke hiërarchie. De Praagse Lente betekent een vroeg einde aan zijn leerperiode. In het nieuwe totalitaire regime weet een kunstenaar nooit of hij met zijn werk de nieuwe held zal worden of gearresteerd wordt. Voor Švankmajer betekende het regime een verbod op films maken in de jaren zeventig.
Jan Švankmajer eindigt met een idee over wat de laatste film zou kunnen zijn (die ten tijden van het schijven van het boek nog niet klaar was).

De thematische indeling naar ‘object life’, ‘creaturely life’, ‘animal life’, ‘political life’ en ‘ecological life’ doet in eerste instantie wat geforceerd aan. Er is bij Švankmajer altijd sprake van een hybride vorm tussen al deze vormen van leven en zijn eigen leven is door de Praagse Lente en het communistische regime zo getekend, dat al zijn werk bijna automatisch een politieke lading heeft. Uiteindelijk blijkt dat Johnson door het verleggen van de focus per hoofdstuk recht doet aan de rijkdom van Švankmajers werk, diens invloeden en de manieren waarop je er naar kunt kijken. Uiteindelijk is de film pas echt af op het moment dat een kijker er betekenis aan geeft.

Met 8 ½ pagina aan bibliografie kan het boek met recht een goed doorwrochte monografie genoemd worden. Johnson gaat niet zo zeer in op de persoon van Jan Švankmajer, hoewel we te weten komen dat een deel van zijn obsessie met eten stamt uit zijn jeugd – zwaar ondervoed moest hij op zomerkamp om te eten. Die dwangvoeding heeft hem een levenslang trauma opgeleverd.

Belangrijker is hoe Johnson zijn werk context geeft, het plaatst in de surrealistische traditie. Hij voelt zich meer verwant met de gebroeders Quay en David Lynch dan met Disney. Sterker: hij heeft een stevige hekel aan Disney en de manier waarop het een ‘kindvriendelijke’ wereld voorschotelt. Door de aangeharkte versies van de Grimmsprookjes onthoudt Disney kinderen een waardevolle mogelijkheid om de donkere zijden van het menselijke bestaan te ontdekken. Het maakt consumentjes van kinderen, alleen geschikt om happy meals te eisen. Ook komen we te weten dat hij en wijlen zijn vrouw boze brieven hebben gestuurd aan de Dalai Lama omdat ze vanuit het surrealisme een stevige afkeer hadden meegekregen tegen alles wat naar ‘goedkope spiritualiteit’ riekt.

Biograaf Johnson gaat gelukkig verder dan dit soort weetjes opsommen: hij zet ze in om een beeld te schetsen van een gecompliceerde kunstenaar die over alles vragen stelt en niets zomaar aanneemt. Een mooi voorbeeld daarvan is het hoofdstuk over Švankmajers laatste film, die pas na het verschijnen (en de research!) van dit boek in wereldpremière ging.

‘I offer this sketchy interpretation of the play less in anticipation of Švankmajers’s treatment than as a speculative context for the few statements he’s made about the project. First of all, he has reasserted the play’s essential misanthropy, which his version intends to deepen or exteend. On top of that, however, he has set himself the larger, career-spanning task to “shake up the illusion of anthropocentrism”, voicing skepticism at the notion of a human future without some sort of species-wide epiphany:

I think that the current civilization is approaching the great shock, just as I write about it in “To Renounce the Leading Role.” Surrealists will surely not stand by the sidelines. I think that the time is ripe for the formation of a new societal model, like it was done, for example, at the turm of the century by Charles Fournier, or during the 19th century by Marx, or by Lenin in his treatise “the state of revolution” at the beginning of the 20th century. We just have to apporoach the implementation of new ideas with skepticism and revolt in our hearts—armed with Freud and wise with the knowledge that people are flawed, and therefore unable to implement even the noblest ideas completely.’

Hmyz, of Insects, de laatste film, is inderdaad misantropisch en een van de lijnen in de film gaat over de hybride vorm tussen insect en mens die de personages uit Čapeks toneelstuk aannemen, de mensen worden steeds grotesker met hun insectachtige voorkomen en gedrag. Het is niet zozeer een dog-eat-dog alswel een bug-eat-bug-wereld die beklemmend en absurd is.

Keith Leslie Johnson heeft niet altijd de soepelste pen doordat hij zoveel citaten en verwijzingen gebruikt. Soms leidt dat tot een soort omgevallen-boekenkastgevoel, zeker als je niet heel bekend bent met het werk van Švankmajer of alle denkers en makers waarnaar verwezen wordt. Als dat wel zo is, dan is dit een heel fijn boek waardoor je alle films nog een keer wil zien met een frisse kritische blik en waardoor je de context wilt onderzoeken.

Helen Westerik is filmhistorica en schrijver. Ze koopt de filmboeken in voor Athenaeum en Eye.

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum