Recensie: Lichtvoetig absurdisme

27 februari 2018 , door Bob Hopman
| | |

Als tiener was ik een groot liefhebber van de dichter C. Buddingh. Zijn werk was lichtvoetig, toegankelijk en tegelijkertijd triest, zwaarmoedig soms. Maar omdat ze de schrijver bij ons op school toch een beetje als een minor poet beschouwden, verloor ik hem uit het oog. Ter gelegenheid van Buddingh’s honderdste geboortejaar verschijnt nu Bazip, Deibel en andere verhalen, een bundel, samengesteld en ingeleid door Wim Huijser, met een verscheidenheid aan zeer korte verhalen en een ‘novelle in hoofdstukken’. Hierin vind ik de Buddingh’ terug  die ik me herinner: kwalitatief misschien wisselvallig, maar heel innemend op zijn goede momenten.

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Buddingh' gebundeld en Wim Huijsers biografie Dichter bij Dordt.

Bazip

Veel van die goede momenten vind je in ‘De avonturen van Bazip Zeehok’ uit 1968. Het begint met korte, licht absurde hoofdstukken. Bazip is ongeveer dertig, niet hoog opgeleide jongen met allerlei simpele baantjes, een negentienjarig vriendinnetje en allerlei kleine angsten: angst om geld te verkwisten (‘Achtenveertig plus achtennegentig, dat is één zesenveertig, heeft het hem gekost’), hypochondrie, lichte mensenvrees. Je zou hem een stereotype naoorlogse Hollander noemen, als hij niet zo ongrijpbaar was door zijn onberekenbaar en soms absurd gedrag.  Zo denkt hij op een dag, als echte jaren-zestig-jongeling: ‘Ik wil ook wel eens provoceren.’ Hij schrijft op een muur, onder het woordje  ‘Ajax’ ‘Piet keizer is een rotlinksbuiten’ en rent zich vervolgens de longen uit het lijf, ‘eer de woede van het volk hem achterhaalt.’ De wereld is voor hem onberekenbaar, eng.

Als verhaal is ‘Bazip Zeehok’ heel lastig te duiden. Het lijkt het midden te houden tussen een vroege Harry Mulisch, met zijn soms verwrongen werkelijkheid iemand als Joke van Leeuwen, met haar heldere, bondige stijl. Maar Buddingh’ toont zich zowel inhoudelijk als stilistisch een draaikont . Eerst zijn de hoofdstukken in ‘Bazip’ volledig onafhankelijke, korte schetsen. Dan ontstaat geleidelijkerwijs een doorlopend verhaal, een roman bijna. Een verhaal van neergang is het: Bazip verliest door zijn wereldvreemdheid het grip op zijn leven.

Hij wordt belazerd door een provo-meisje (zijn jonge Agnietje heeft hem dan al voor een gereformeerde leraar verlaten) en hij verhuist naar steeds triester buurten. Zijn goede vriend Jasses krijgt last van depressies, waarvan niet volledig duidelijk wordt of de wereldvreemde Bazip ze doorziet. En dan, op tweederde, lijkt het of Buddingh’ met zijn personage medelijden krijgt en hem een echt verhaal wil bieden. Bazip wordt een romanesk figuur, menselijk en voorspelbaar. Zonde, want juist de ongrijpbaarheid maakte van hem een aantrekkelijk karakter.

Voetbal, buitenbeentjes

Het minste uit de bundel is Buddingh’s voetbalverhaal ‘Leve het bruine monster’,  uit 1969. Voetbal , of eigenlijk sport in het algemeen, en literatuur hebben altijd een moeizame relatie gehad en dat zie je hier ook: het zijn alleen al de al te alledaagse openingszin (‘Wanneer ik aan mijn jeugd denk, denk ik aan voetballen.’) of een gewoon lelijke volgende zin (‘Wat heb ik daar wat afgevoetbald!’) die een wat oppervlakkig verhaal inleiden, over een man die in de mindere divisies redelijke wedstrijden heeft gespeeld. Het heeft niet veel om het lijf.

Maar het tweede voetbalverhaal, ‘Daar ga je, Deibel’, is een stuk sterker.  Dat is omdat het niet in de eerste plaats over voetbal gaat, maar over het groepsproces binnen een team. Een team waarin lastpak Jopie Deibel niet alleen grote uitblinker is, maar ook buitenbeentje, intrigant en lont in het kruitvat. En juist het beschrijven van de buitenbeentjes, daar is Buddingh’  sterk in. Buitenbeentjes en losers, zoals Bazip Zeehok dus, die moeten functioneren in een verstoord universum. 

Fatalisme

De bundel eindigt met een selectie uit de prozagedichten ‘Een rookwolkje voor god’, uit 1982. Ook dat bestaat uit korte verhalen of schetsen, droombeelden  van een sadistisch of in ieder geval absurd universum. Kafka-achtige vertellingen, waaronder het sterke ‘Perikelen van een geheim agent’, of ‘Zonder recht van beroep’ wisselt Buddingh’ af met veel mindere hoofdstukken.

Daarin zit eigenlijk het belangrijkste kritiekpunt aan de gehele bundel Bazip, Deibel: Huijser heeft te veel een Buddingh’ in de breedte willen schetsen en is daardoor op pure kwaliteit niet altijd heel selectief geweest. Dat neemt niet weg dat Buddingh’ deze publicatie en dit herlezen verdient, minor poet of niet (en ik vind van niet). Vooral de vroegste helft, alles tot pak hem beet 1968, toont een intuïtief schrijver, een die knap gebruik maakt van eenvoud om te laten zien hoe moeilijk de wereld zich tot ons verhoudt.

Bob Hopman is docent Nederlands. Hij schreef recensies voor Recensieweb.nl.

MINDBOOKSATH : athenaeum