Recensie: Vervreemding en onveiligheid

27 februari 2018 , door Joop Hopster
| | | | |

Net na de Tweede Wereldoorlog werden de communisten opeens de vijand. Ik heb die tijd niet meegemaakt, dus hier wist ik niet zoveel van. Jolande Withuis' vader Berry was communist, en het eerste telefoonnummer dat zijn dochter kende was dat van het CPN-hoofdkwartier. Zijn ideologie bepaalde alles. Het gezin at niet samen, dat was burgerlijk. Familiebanden, vriendschappen werden vermeden: iedereen kon je verraden. Haar ouders waren op huwelijkse voorwaarden getrouwd, voor als haar vader opgepakt werd. En toen Withuis zich aanmeldde bij de partij, belde haar vader ze op: ze hadden een blunder begaan, zij kon geen echte communist zijn. Die vervreemding, dat gevoel van onveiligheid is heel indringend, en Withuis schrijft het heel fijn op, ze ontdekt van alles over de mysterieuze man die later als schaker bekend werd - was dat een vlucht? Een aanrader.

Deze tekst schreef onze rubrieksbeheerder Geschiedenis en Politiek, Joop Hopster, voor de Paroolrubriek 'Naar bed met'. Hier vullen we hem aan met een fragment uit het boek.

 

Troostrijke zekerheid

Koejemans’ opvolger Fred Schoonenberg, die zijn functie deelde met de econoom Friedl Baruch, werd in 1953 als hoofdredacteur vervangen door Marcus Bakker. Zowel met Fred en Friedl als met Marcus stond mijn vader op goede voet. Veel zegt dat overigens niet. Marcus en mijn vader deelden het vermogen met een grap of een sarcastische sneer aan narigheid voorbij te gaan, maar tot persoonlijke vertrouwelijkheid kwam het in de CPN zelden. In mijn gesprek met Jaap Wolff in 2009 ontdekte ik dat mijn vaders meest vertrouwde partijgenoot niet wist dat zijn vader zeer jong was overleden en dat dit voor Berry een levensbepalende gebeurtenis was geweest.
André Roelofs, die in 1951 als twintigjarige de redactie kwam versterken, maakte mijn vader intensief mee. Toen ik André vroeg of mijn vader wel eens iets van twijfel had laten doorschemeren, corrigeerde hij mijn naïviteit:

Als jouw vader kritiek had op de Partij, of aarzelingen bij het communisme, zou ík dat bij uitstek niet weten. Dat zou hij op de redactie nooit hebben laten merken. Wij hielden onze gedachten voor ons, juist tegenover degenen met wie we samenwerkten. Openheid over aarzelingen of kritiek kon je je echt niet permitteren.

De eenzaamheid die uit dit antwoord naar voren komt, staat in schril contrast tot de in de CPN beleden en vaak ook beleefde kameraadschap. Die kameraadschap berustte voor een flink deel op de overtuiging dat er buiten de partij geen fatsoenlijk leven mogelijk was. Het bevorderde de nagestreefde eenheid dat men liever zijn mond hield dan eruit te liggen. Je keek in het klimaat van voortdurende zuiveringen en onderlinge verklikkerij wel beter uit dan openhartig te zijn, juist tegenover degenen met wie je dag in dag uit alle tegenslagen deelde, diegenen dus die doorgingen voor je beste vrienden. Zo onmogelijk als het was vriendschappen te onderhouden buiten de Partij, zo onmogelijk was het ook daarbinnen.
Dit treurige leven in deze zelfgekozen gevangenschap zag men aan voor geluk, althans: men hield zichzelf met wisselend succes voor dat men gelukkig was. De armoede, het isolement en het geploeter werden gecompenseerd door de troostrijke zekerheid dat men beschikte over diepe historisch-maatschappelijke inzichten. Communisten voelden zich geestelijk verheven boven buren, collega’s en familieleden die het vertrouwen in de komst van de heilstaat en de vreugde van de dagelijkse strijd moesten missen. Vermoedelijk namen de volwassenen aan dat dit voor hun kinderen ook gold.
Hoe dat voor andere partijkinderen was, weet ik niet. Ik vond het leven bij mijn apolitieke familie in Zutphen een stuk plezieriger, maar nam toch van jongs af aan mijn ouders’ overtuiging over dat ons leven minder oppervlakkig was en dus van meer waarde. Voor die tegenstrijdigheid wist ik geen oplossing. Geen andere althans dan de impliciete conclusie dat plezier het doel niet was.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum