Recensie: Amsterdam vanaf het stoepbankje bij Huis Marseille

30 december 2019 , door Pieter Hoexum
| | | |

‘Een huis is een standpunt,’  schrijft Ileen Montijn is haar onvolprezen boek Leven op stand. Een huis is inderdaad niet alleen de plek waar je woont, maar tegelijk ook het punt van waaruit je naar de wereld kijkt. Een huis is een manier van kijken, een manier van leven. Dat blijkt ook weer uit dit rijke, mooie boek Een huis genaamd Marseille, een biografie van twee Amsterdams grachtenpanden aan de Keizersgracht, waar tegenwoordig het fotografiemuseum gevestigd is.

Vinexpaleizen

De Amsterdamse grachtengordel zou je Neerlands eerste nieuwbouwwijk kunnen noemen – een zeventiende-eeuwse vinexwijk als het ware. Maar dan wel een hele deftige, aanzienlijke nieuwbouwwijk; niet met rijtjeshuizen maar met rijtjespaleizen. Deze ‘nieuwbouwwijk’ kwam overigens veel langzamer tot stand dan tegenwoordig, in verschillende fasen, tussen 1613 en 1682. De panden waar het in dit boek om gaat maakten onderdeel uit van de zogenaamde derde uitleg, van 1665. Een koopman met zijn schaapjes op het droge, Isaac Fouquier, verwierf een perceel aan de geplande Keizersgracht en liet daar een huis bouwen dat hij Huis Marseille doopte, aangezien hij als beginnend koopman ooit in Marseille een eerste maar zeer lucratieve en daarmee beslissende aankoop had gedaan. Als buurman kreeg hij de doopsgezinde diamantslijper Cornelis Spruijt, die samen met twee broers en een geloofsgenote vier panden liet bouwen.

De Grachtengordel die zo, stukje bij beetje, in de zeventiende eeuw ontstond, was als bouwproject in omvang en prestige uiteindelijk slechts te vergelijken met het paleis van Versailles. De grachtengordel was als het ware het burgerlijke, republikeinse antwoord op de absolutistische monarchie van Lodewijk XIV. Draaide in Versailles alles om de Zonnekoning, aan grachten draaide alles om individualisme en onafhankelijkheid – en handel natuurlijk. Aan de grachten ontstond een wonderlijke, voor Amsterdam kenmerkende balans tussen ‘gezamenlijkheid en individuele vrijheid’. Een balans tussen gelijkheid en vrijheid die overigens volgens mij nog steeds bestaat in de hedendaagse nieuwbouwwijken met rijtjeshuizen.

Elite      

‘De koopmannen zetten hun huizen naast elkaar, strak in het gelid op ongeveer even brede percelen,’ schrijft Hanken. En toch draaide het om status: ‘Een huis drukt een bepaalde status uit door de mate waarin een bewoner afstand kan scheppen tot de buitenwereld,’ en dat lukte de bewoners van grachtenpanden uitstekend: ‘Ze leefden […] dicht op elkaar, zich echter zo veel mogelijk beschermend tegen nieuwsgierige blikken van buiten.’ En zodoende ontstond er wel degelijk een ‘stadsaristocratie’ – een witte wijn sippende elite.

Met dit boek kunnen we als het ware door de sleutelgaten van twee huizen naar binnen gluren en uitgebreid een kijkje nemen in het leven van de Amsterdamse elite door de eeuwen heen. Huis Marseille en het buurpand bestaan 350 jaar en Hanken beschrijft in dit boek wie er allemaal in de twee huizen gewoond hebben, en vooral: hoe ze leefden, hoe ze deden, hoe ze dachten. Een bonte stoet bewoners trekt voorbij: een steenrijke suikerbakker, een wereldverbeteraar (vanuit Huis Marseille werden plannen gesmeed voor arbeiderswoningen -  echte rijtjeshuizen!), gedienstig personeel, een moederlijke koffiejuffrouw…  Maar dan is het eigenlijk allemaal al voorbij en zijn de grachtenhuizen een voor een omgevormd tot kantoren van advocaten en dergelijke.

Het mooie is dat Hanken niet alleen naar binnen laat gluren, maar ook naar buiten. Zoals de meeste grachtenpanden heeft Huis Marseille een zogenaamd ‘stoepbankje’: een beschilderd plankje bevestigd aan de leuning bovenaan de buitentrap bij de voordeur. ‘Vooral als de zon erop stond, zat men graag voor het huis op het stoepbankje […] te kijken naar het leven dat onder […] voorbij gaat. Alsof je op het dek van een schip zit, met een reling waar je je aan kunt vasthouden.’ De lezer van dit boek neemt als het ware ook plaats op dat stoepbankje en ziet het leven van drieënhalve eeuw in Amsterdam, in Holland… in heel Nederland en soms het Westen, aan zich voorbijtrekken.

Mentaliteit

Het boek is – heel mooi – uitgegeven door nai010 uitgevers, die eigenlijk gespecialiseerd is in architectuur. Maar dit boek is meer dan architectuurgeschiedenis. Gelukkig maar, want het gaat ook over wat je zou kunnen noemen de andere helft, die meestal vergeten wordt maar die wat mij betreft de meest interessante helft is: het gaat niet alleen over het huis maar ook over de woning, het thuis. Het gaat om de bewoners en het bewonen. Het gaat over de sfeer in huis en over mentaliteit van de bewoners. Het is vooral mentaliteitsgeschiedenis.

‘Het huis was in die tijd [zeventiende eeuw, PH] donkerder dan nu, met kleinere vensters en een interieur met veel hout van plafondbalken, lambrisering en zwarte servies- en linnenkasten. […] Men was gewend aan duisternis, aan schaduwen en aan donkere hoekjes in ruimtes die ’s avonds met slechts enkele kaarsen werden verlicht. […] De vriendelijke kant van de duisternis werd gewaardeerd, het veilige schemerlicht waar je jezelf in kunt hullen en bijna onzichtbaar bent.’

Een paar hoofdstukken verder kan Hanken dan prachtig kernachtig aangeven hoe de Verlichting doorbrak: ‘In de achttiende eeuw draaide veel om glans.’

Publieke leven

Het wel of niet ontstaan van een wankel evenwicht tussen privé en publiek leven, tussen huiselijkheid en openbaarheid, tussen binnen en buiten, is een van de interessante rode draadjes in dit boek. De bloeiperiodes van Amsterdam kenmerkten zich min of meer door zo’n evenwicht, hoe wankel ook. Tijdens de zeventiende eeuw ontstond die voor het eerst en nadat in de negentiende eeuw het publieke leven in Amsterdam teloorging, kwam die tijdens de ‘tweede gouden eeuw’ weer tot bloei.

In de loop van de twintigste eeuw kalfde het weer af, tot het eind vorige eeuw toch weer opbloeide. Dat was mede aan de toeristen te danken: toen halverwege de twintigste eeuw niemand meer een stuiver gaf voor de grachtengordel, begonnen de toeristen er de schoonheid weer van in te zien, en openden zij ook ons weer de ogen. De grachtengordel werd in alle pracht en glorie in ere hersteld, in Huis Marseille en het pand ernaast kwam een fotomuseum. Die bloei lijkt nu echter over zijn hoogtepunt heen te zijn…. De ‘derde gouden eeuw’ van Amsterdam lijkt alweer voorbij voordat hij goed en wel begonnen was.

Pieter Hoexum is filosoof, publicist (voor o.a. Trouw) en huisman. Hij was boekverkoper bij Athenaeum Boekhandel. In 2014 verscheen zijn boek Kleine filosofie van het rijtjeshuis [fragment] en onlangs kwam zijn Thuis. Filosofische verkenningen van het alledaagse uit [fragment]. Hij heeft ook een website: Pieterhoexum.wordpress.com.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum