Recensie: De onontcijferbaarheid van de toekomst

09 september 2019 , door Maarten Asscher
| | |

Met een ‘dubbel-essay’ zet de Italiaanse schrijver en uitgever Roberto Calasso zijn meerdelige cultuurfilosofische onderzoek voort naar de bronnen van de moderne wereld. Het onbenoembare heden levert opnieuw een even sprankelende als diepgravende zoektocht op.

N.B. Eerder publiceerden we op Athenaeum.nl voor uit de helaas niet meer leverbare Het roze van Tiepolo en De droom van Baudelaire.

Kritiek op de democratie, je zou het eerder verwachten van fanatieke alt-righters, populisten of geschiedenisblinde anti-parlementaristen. Je kijkt ervan op bij iemand als de überbelezen, multi-getalenteerde Italiaanse, maar tegelijk zeer Europese schrijver-uitgever en boekenverzamelaar Roberto Calasso, door de Paris Review ooit een ‘eenpersoons instituut’ genoemd. Als uitgever werkt hij al sinds 1962 bij de Milanese uitgeverij Adelphi, waar hij de uitgever en eigenaar van is, en waar niet slechts zijn eigen boeken verschijnen, maar ook die van Jorge Luis Borges, Jean Rhys, Oliver Sacks, Djuna Barnes, Georges Simenon, Virginia Woolf, Paul Valéry, Karen Blixen, Friedrich Nietzsche, plus vele groten uit de negentiende- en twintigste-eeuwse Italiaanse literatuur en een hele lijst klassieke auteurs uit Oudheid en Renaissance. Als er iemand boven de verdenking staat een antidemocraat te zijn, zo zou je zeggen, is het wel deze beminnelijke en belezen, in 1941 geboren Florentijn.

Naast zijn werk als uitgever en als visiting professor aan diverse universiteiten werkt Calasso al decennialang aan een meerdelig, onderling geschakeld oeuvre van cultuurkritische, verhalende essays. Dat project leverde tot nu toe al een hele serie boeken op, zoals De ruïne van Kasch, De bruiloft van Cadmos en Harmonia, De droom van Baudelaire en De gloed, alle voortreffelijk in het Nederlands vertaald door Els van der Pluijm. Aan die indrukwekkende reeks literaire, cultuurhistorische en filosofische bespiegelingen, waarin Calasso de wortels van de moderne wereld onderzoekt, is nu een negende deel toegevoegd: Het onbenoembare heden. En daarin valt op p. 21 de volgende alinea te lezen:

‘Anders dan alle andere regimes, is democratie geen specifiek gedachtegoed, maar een geheel van procedures die zich erop laten voorstaan elke willekeurige denkwijze te kunnen omvatten, behalve wanneer deze voornemens is de democratie zelf omver te werpen. Dat is haar kwetsbaarste punt, zoals in januari 1933 in Duitsland werd bewezen.’

Die simpele waarneming vormt een van de uitgangspunten waarmee Calasso in deze grondige, bij vlagen ook flanerende, maar steeds scherpzinnige studie, de vraag tracht te beantwoorden: hoe moeten wij aan het begin van de 21ste eeuw tegen de wereld aan kijken? Dan gaat het om niet om het dagelijkse bombardement van beelden, reclames en selfies, maar om de vraag hoe de wereld waarin wij – na de genocidale twintigste eeuw – terecht gekomen zijn, benoemd zou moeten worden. Wat is de ware geest van onze tijd?

Dankzij een proces van secularisering is in West-Europa de Goddelijke geest in elk geval uit ons sociaal-politieke systeem verdwenen. ‘De theologie is getransformeerd tot politiek,’ zo schrijft Calasso, ‘terwijl de theologie zelf naar de universiteiten werd verbannen.’ Aangezien volgens de auteur over een begrip als ‘vrijheid’ zelfs geen vage, algemene overeenstemming bestaat, is in onze tijd volgens hem de kernvraag door welk gemeenschappelijk idee of principe de mensengemeenschap zich nog kan en wil laten leiden. Wat stijgt er voor de seculiere mens uit boven de procedurele spelregels van de democratie, zonder de garanties van die democratie in gevaar te brengen? Is er een soort humanistische vroomheid in de praktijk te brengen, die God niet langer nodig heeft, maar die wel een verbindend vermogen bezit, dat de homo saecularis verlost uit zijn isolement?

Zonsondergang

Deze fundamentele vragen laten zich natuurlijk niet zomaar 1:1 beantwoorden, en dat lukt dus ook Roberto Calasso niet in het 92 pagina’s tellende eerste deel van Het onbenoembare heden. Hij probeert de vraag te omsingelen met een analyse van enkele fenomenen, die onze blik op de hedendaagse wereld in grote mate bepalen: te weten reclame, toerisme en (zelfmoord)terrorisme. Hoe hij erin slaagt zonder jargon dergelijke zeer uiteenlopende perspectieven met elkaar te verbinden, blijkt bij voorbeeld uit een alinea als deze:

‘Wie naar een prachtige zonsondergang kijkt en denkt dat er iets is dat verder reikt dan wat hij ziet, is al met volle zeilen in het “spirituele” beland. En zal zich daar gedragen als een enthousiaste toerist, al zal hij niet de gemoedstoestand van “begeesterd pelgrim” bereiken, omdat hij elk heiligdom mijdt.’

Al is het heden van de wereld waarin wij leven ‘onbenoembaar’ geworden, een aantal karakteristieken ervan springen voor Calasso wel pijnlijk in het oog. De gemediatiseerde directe democratie, het ‘dataïsme’ als economische ideologie en ons door overinformatie gedesoriënteerde  burgerschap leiden de auteur tot een benoeming die nog het dichtst in de buurt komt van inconsistentie als hoofdkarakteristiek, en wat hem betreft geldt: ‘Hoe inconsistenter de wereld, hoe groter het aantal lieden dat reden tot klagen heeft.’

Disintermediatie

Dat klagen, dat doet Calasso ook, maar hij doet het virtuoos, en hij houdt als een onderliggende draad in zijn boek een welluidend pleidooi voor de bemiddelaar. De bemiddelaar in de politiek (de volksvertegenwoordiger), in de cultuur (de docent, de criticus) en de literatuur (de uitgever, de vertaler). Hij zegt het niet zo letterlijk als ik het hier nu samenvat, maar dat is wellicht een kwestie van bescheidenheid, want Calasso’s bestrijding van het verschijnsel ‘disintermediatie’ (het uitschakelen of passeren van de bemiddelaar) laat zich in feite ook opvatten als een oratio pro domo. De essayist, de uitgever, de docent als een soort lekenpriester in de eredienst van de cultuurfilosofie, blijft het oeroude uit vele culturen overgeleverde ritueel van de uitleg, de herhaling, het doorvertellen van de mythen tegen beter weten in volhouden.

1933-1945

Het tweede deel van Het onbenoembare heden laat zich korter samenvatten, maar het is niet minder indrukwekkend: het bestaat uit een becommentarieerde reeks chronologisch gerangschikte fragmenten en citaten uit dagboeken, brieven en biografieën uit de jaren 1933 en 1945. Van datum tot datum wordt de lezer aan de hand meegenomen langs ontmoetingen met Virginia Woolf, Lous-Ferdinand Céline, Joreph Roth, Ernst Jünger, Robert Brasillach, Arthur Koestler, Simone Weil. En met elke nieuwe ontmoeting, met ieder portret, met alle kleine en grote gebeurtenissen neemt de dreiging toe, openbaren zich de verschrikkingen verder en komt daarmee de post-apocalyptische wereld van na 1945 dichterbij, de wereld waarvan wij met meer urgentie dan ooit de toekomstige geschiedenis proberen te bepalen.

Onontcijferbaar?

Het is niet eenvoudig om de onderlinge verhouding tussen de twee delen van dit essay te duiden. Het zijn als het ware twee assen die elkaar kruisen. Of misschien, zo suggereert de auteur zelf in een aan een overgeleverde droom van Baudelaire gewijd naschrift, zijn het twee torens, die als een even trotse als kwetsbare tweeling staan te wachten tot de geschiedenis toeslaat.

De mooiste ‘clou’ van Het onbenoembare heden is wellicht te vinden op de door de auteur voor alle edities van het boek gekozen omslagillustratie, een fragment uit het door Giambattista Tiepolo geschilderde plafondfresco in het trappenhuis van het bisschoppelijk paleis van Würzburg, getiteld Allegorie van de planeten en continenten uit de jaren 1750-1753. Het fragment op het omslag toont een hoog oprijzende piramide met brokken steen daaronder. Op één blok graniet heeft Tiepolo een vierregelige tekst afgebeeld, gebeiteld in een mengeling van Palmyreens Aramees en Armeens, talen die in Tiepolo’s tijd nog niet ontcijferd waren. Palmyra: cultuurtoerisme, IS-terrorisme, Klassieke Oudheid, Barokarchitectuur; de naam van deze ooit glorieuze, nu geruïneerde stad brengt meteen een keten van associaties voort, die aansluiten bij diverse van Calasso’s thema’s. En zo komen die thema’s samen in dit onontcijferbare opschrift. Is dat niet het mooiste symbool voor de onbenoembaarheid van het heden? Al bevindt het zich vlak voor onze ogen, toch kunnen wij het antwoord waar wij naar verlangen niet lezen.

Maarten Asscher is schrijver en oud-directeur van de Athenaeum Boekhandel. In februari 2020 verschijnt bij De Bezige Bij zijn nieuwe boek Een huis in Engeland. Roman van een kleinzoon.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum