Recensie: Een mond vol J.C. Bloem en Burger King

04 november 2019
| |

Begin 2018 overleed Menno Wigman, een van Nederlands geliefdste dichters. Hij schreef tegelijkertijd klassiek en hedendaags. Zijn beeldspraak had een bijna gebeeldhouwde uitstraling, maar was tegelijkertijd scherp en onverwacht. Zijn Verzamelde gedichten onderstrepen deze kwaliteiten nog eens flink.

N.B. Lodewijk Brunt besprak voor ons destijds zijn essaybundel Red ons van de dichters.

Lange tijd heb ik me een beetje geschaamd voor mijn gedachten tijdens de kennismaking met Menno Wigman (1966-2018), toen ik als eerste- of tweedejaarsstudent Nederlands naar een geluidsopname luisterde van de Nacht van de Poëzie. Had ik toen maar iets inhoudelijks kunnen zeggen over Wigmans poëzie. Maar nee hoor, ik wilde vooral weten of dit nu vormvaste poëzie was of niet. Er was duidelijk rijm te horen, soms volledig, soms half (‘skelet’ – ‘intellect’), maar wel erg onregelmatig. Soms volgden rijmende woorden elkaar te snel op om beide het slot te vormen van twee aparte regels. Puur op het gehoor kon ik geen antwoord formuleren op de vraag die me om nu nog onverklaarbare redenen zo dwars zat.

Niet vast, niet vrij

Pas een paar jaar later zag ik Wigmans gedichten op papier voor me. Het rijm bleek inderdaad onregelmatig te zijn: zelden vol eind-, maar wel veel binnen- en klankrijm, wat de gedichten erg muzikaal maakte. Daarbij ging het niet alleen om melodie, maar minstens zoveel om ritme – Wigman was immers ook drummer. Er waren veertienregelige gedichten die op sonnetten leken, maar wel heel vrij omsprongen met de vormregels daarvan, nog los van het rijm. Zijn gedichten bleken niet in vaste vormen te zijn geschreven, maar vrije verzen waren ze ook niet.

Dat paste goed bij de combinatie van vaak zware, klassieke thema’s en dito formuleringen – ‘Ik weet het: iedereen zijn eigen hel’ –, én bijna lullig-alledaagse scènes: ‘een broodje delen en het weer bespreken, / ’s nachts onder je pc je zaad opvegen.’ Mijn vraag of deze gedichten in vaste vormen geschreven waren was niet eens puur een vormkwestie, besefte ik, maar innig verknoopt met de inhoud: ze zijn niet helemaal klassiek, noch helemaal hedendaags, maar bevinden zich ergens in een intrigerend niemandsland daartussen.

Dat was misschien nog niet helemaal scherp, maar wel duidelijk aan het ontluiken in Wigmans officiële debuut ’s Zomers stinken alle steden (1997). De inhoud is nogal studentikoos, zeker vergeleken met de bundels die daarna kwamen. Wigman lijkt zich vooral aan het klassieke idee van de dichter te spiegelen, die lijdt aan het leven en zich bezighoudt met de grote thema’s in het leven: veel liefde en dood, verknoopt door het bekende beeld van het orgasme als la petite mort.

Wigman formuleerde vaak iets te gezwollen en dramatisch, met regels als ‘Wij zijn op jacht en leren / in elkaar te sterven’. Gelukkig waren er toen al de muzikaliteit en de opmerkelijke techniek, die de vaak te geposeerde en bijna oubollige inhoud compenseerden. Wigman is in zijn debuut een paar traditionele sonnetvormen verwijderd van Jean Pierre Rawie (en dat is geen aanbeveling).

De titel ’s Zomers stinken alle steden laat zien dat Wigman zich spiegelt aan de groten: die is ontleend aan Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge (1910), de enige roman van de Oostenrijkse dichter Rainer Maria Rilke. In dat boek absorbeert de titelheld alle nieuwe, grootstedelijke prikkels en indrukken. Hij wil graag deelnemen aan het leven om hem heen, maar hij is te neurotisch en angstig; een vrij typisch modernistische figuur die je ook aantreft bij Nijhoff en T.S. Eliot. In de overtuigendste gedichten in Wigmans debuut is de ‘ik’ geen zwartromantisch alter ego, maar een gedwongen afstandige Brigge-achtige figuur. Die blijkt ook in de volgende bundels regelmatig op te duiken.

Versneden gevoelens

In de tweede bundel, Zwart als kaviaar (2001), is de pose gelukkig teruggedrongen, terwijl de technische beheersing en muzikaliteit gelukkig zijn gebleven. Het dichterfiguur van het debuut is niet langer een verheven persoon. Het dagelijks (stads)leven sluipt steeds meer de gedichten in. In ‘Burger King’, een van Wigmans bekendste gedichten, schrijft hij: ‘Was er een tijd dat ik hier boven stond, / mijn mond vol Proust en Bloem, mij hoor je niet, / niet meer. Wat heeft het nog voor zin om in / een taal te denken die geen tanden heeft?’ De zwarte romantiek maakt plaats voor een zachtere weemoed, die soms versneden raakt met voorzichtige acceptatie en zelfs enig optimisme. Er spreekt een emotionele onbestemdheid uit de gedichten waardoor ze aan kracht winnen.

Die vermenging van gevoelens tilt Wigman naar een hoger niveau in Dit is mijn dag (2004), een bundel die in weerwil van de titel helemaal niet zo optimistisch is. De doods- en levensangst zijn er nog, maar Wigman voegt een krachtig nieuw ingrediënt toe: vervreemding over het eigen lichaam. In het openings- en titelgedicht schrijft hij: ‘Vanochtend werd ik wakker in een droom / van iemand die een huid van vlees bewoont.’

Zijn beeldspraak wordt ook lichamelijker en daarmee ook onverwachter; het is niet moeilijk om te zien waarom iemand als Ellen Deckwitz Wigman bewondert. Zwart als kaviaar was al een stap voorwaarts, maar in Dit is mijn dag is de dichter echt op dreef. Dat leek hij zich ook te beseffen, want in het gelijknamige gedicht eist hij na het moment van vervreemding uiteindelijk zelfbewust zijn positie op:

[…]

Maar langzaam, bijna heilig, stond ik op,

gaf mijn gezicht een hand en ritste mijn
gedachten dicht. Dit is mijn dag, wist ik.

Hier lonkt een spiegel naar verwonderd licht.
Daar breekt een vlinder uit. En dat ben ik.

Het kon stilistisch nóg een schep scherper en inhoudelijker nog rijker, bewees Wigman in 2012 met zijn oeuvrehoogtepunt Mijn naam is Legioen. Waar in de voorganger geworsteld werd met het eigen lichaam, wordt in deze bundel de blik naar buiten gericht. De bundeltitel is afkomstig uit de Bijbel, waarin een door kwade geesten bezeten man zichzelf voorstelt als Legioen, ‘want wij zijn met velen’. De afstandige figuur is nog wel aanwezig, maar neemt in lijn met de titel steeds andere vormen aan, zoals die van een seksueel gefrustreerde eenling, of juist een lusteloze man die gevangen lijkt in zijn burgerlijke leven.

Deze weinig hoopvolle personages contrasteren sterk met het prachtige ‘Zwembad Den Dolder’, waarin een psychiatrische patiënt bezongen wordt die als een Boeddha zo in zichzelf gekeerd is dat het jaloersmakend wordt: ‘De mooiste idioot die ik ooit zag / lag op zijn rug een heel heelal te zijn.’ Deze zwemmer is misschien wel een Brigge die niet langer bang is, terwijl de angstige dichterfiguur buiten naar hem staat te staren.

In 2016 verscheen Slordig met geluk, Wigmans laatste. De blik is weer sterker naar binnen gekeerd, waarschijnlijk door de ernstige hartproblemen waardoor Wigman in het ziekenhuis opgenomen moest worden. De Brigge-figuur neemt in het Mijn naam is Legioen-achtige openingsgedicht een spannende nieuwe vorm aan, die van een terrorist die met een aanslag zijn naam definitief wil vestigen: ‘Nog voor het eind van het festijn / zal ik de grootste zoekterm zijn.’ In het grootste deel van de bundel keert hij de blik echter weer naar binnen. De bekende thema’s duiken weer op: het dichterschap, de melancholie, de doodsangst en de vervreemding van het lichaam.

Wigman zette geen grote nieuwe stap met deze bundel, zoals hij in de voorgangers wel deed. Hetzelfde geldt voor de in de Verzamelde gedichten opgenomen verzamelde gedichten, die – op een paar onder pseudoniem gepubliceerde parodieën op Ilja Leonard Pfeijffer na – kwalitatief schommelen tussen best oké en behoorlijk goed, maar geen nieuwe perspectieven toevoegen aan wat hij al heeft gedaan. De Verzamelde gedichten eindigen zo een beetje wisselvallig, maar wat vooral telt is Wigmans bij leven gepubliceerde oeuvre, dat even opmerkelijk als vitaal is.

Maarten Buser studeerde Nederlandse taal en cultuur, en letterkunde. Hij schrijft voor verschillende media over poëzie, kunst en popmuziek. Gedichten en essays van hem werden gepubliceerd in onder meer Awater, Het Liegend Konijn en De Revisor. In 2016 verscheen zijn eerste dichtbundel Club Brancuzzi bij uitgeverij Koppernik.

 

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum