Recensie: Geschreven op blaaitjes papier

12 juni 2019 , door Esther Wils
| | | | | | |

Zoals er voor de Indische letteren al jaren een Damescompartiment bestaat in de vorm van een website, is er nu in boekvorm een enorme bloemlezing verschenen van teksten die werden geschreven door vrouwen in Zuid-Afrika. Aanvankelijk schreven de Afrikaner vrouwen in het Nederlands, maar allengs ontwikkelde zich het Afrikaans, van ‘bastaardtaal’ tot een van de officiële talen van Zuid-Afrika, waarvan ook de schrijvende vrouwen zich bedienden – behalve witte vrouwen in de loop van de tijd ook ‘kleurlingen’ en zwarte vrouwen. My Mother’s Mother’s Mother: South African Women’s Writing from 17-th Century Dutch to Contemporary Afrikaans, samengesteld door Pieta van Beek & Annemarié van Niekerk, biedt een unieke staalkaart van fascinerende hymnen, dagboekfragmenten, verhalen en gedichten en toont tegelijk hoe het Afrikaans over de eeuwen evolueerde.

Pieta & Annemarié

Twee geleerde vrouwen vonden elkaar in een gedeelde belangstelling, in de liefde voor vrouwenstemmen in de letteren. Aan het begin van hun gezamenlijke titanenwerkstuk stelt het duo zich voor, en zet daarmee meteen de parameters uit voor de bundel.

De Nederlandse Pieta van Beek stuitte in 1989, tijdens een wandeling in Stellenbosch met de kinderwagen waarin haar twee zoontjes, op een grafsteen die een opmerkelijke tekst droeg:

‘Hier rust in ’t stof des doods mijn teergeliefde spruyten
Aan ’t hart van mynen Echtgenoot
Tot eens ook d’eige serk me met hen sal besluyten
In d’arm die ons natuur ontsloot.
De nacht des grafs klaart op, niet altyd is het donker
Door wederzien in eeuwigheid
De godsdienst is de star wiens helder licht gevlonker
Myn Hoop de hoogste vreugd bereid.’

Hier had rond 1800 een vrouw in het Nederlands afscheid genomen van haar man en kinderen. Die vondst maakte grote indruk op Van Beek en zette haar op het spoor van de teksten van vrouwen, verscholen in archieven en musea, soms ongedocumenteerd. Aanvankelijk waren deze teksten in het Nederlands gesteld en door witte vrouwen geschreven. Vaak hadden ze religieuze thematiek of betroffen ze het harde dagelijks leven, en ook wel reizen of de benarde situatie van de Boeren.

De Zuid-Afrikaanse Annemarié van Niekerk vroeg zich als meisje af waar de vrouwen waren, in de portrettengalerij op haar vaders studeerkamer. Haar moeder liet haar een opname horen van dichteres Ingrid Jonker (Kimberley, 1933 – Kaapstad, 1965), een vrouw aan de andere kant van het spectrum dat de bundel bestrijkt. Jonker schreef moderne, experimentele, in het Afrikaans gestelde poëzie, en had oog voor de racistische misstanden in Zuid-Afrika. In My Mother’s Mother’s Mother, dat trouw aan de titel veel teksten bevat over moeders en kinderen, wordt zij onder andere gepresenteerd met een gedicht voor haar dochter:

Begin somer

(vir Simone)

Begin somer en die see
’n oopgebreekte kweper
die lug soos ’n kind
se ballon
ver bo die water
Onder die sambrele
soos gestreepte lekkergoed
miere van mense
en die gul lag van die baai 
het goue tande 
Kind met die geel emmertjie
en die vergete vlegsel 
jou mond is sekerlik ’n klokkie 
kleintongetjie klepeltjie
Jy bespeel die son daglank
soos ’n ukulele

(Uit: Rook en oker)

Meertalig

In hun lange, informatieve en bij alle complexiteit glasheldere introductie zetten de twee gedreven onderzoeksters de geschiedenis uiteen van de positie van hun schrijfsters en die van het Afrikaans. Er was voor de schrijflustige vrouwen lange tijd geen traditie om bij aan te sluiten; het enige wat zijzelf lazen was de Bijbel en aanverwante teksten. In hun taal stonden zij vanwege hun dagelijkse contacten – vooral met personeel – relatief dicht bij de zwarte mensen en de ‘kleurlingen’ of ‘bruine’ mensen, zoals ze in dit boek ook worden genoemd, waardoor de mengtaal Afrikaans makkelijker vat op ze kreeg.

Die taal splitste zich steeds sterker in een ‘blanke’ en een Khoi-variant; in de laatste was de invloed van de taal van de plaatselijke bevolkingsgroep de Khoikhoi duidelijk te onderscheiden. De eerste werd door zijn gebruikers tot de enige, zuivere cultuurtaal uitgeroepen, maar het Afrikaans heeft de roerige politieke geschiedenis van Zuid-Afrika ongetwijfeld tot op heden overleefd omdat het ook door grote groepen zwarte en bruine mensen werd gesproken, naast het door de Britten geïntroduceerde Engels en de negen inheemse talen.

De samenstelsters hebben alle gekozen fragmenten in zo letterlijk mogelijk Engels laten vertalen opdat ook de rest van de wereld kan kennismaken met de niet of nauwelijks bekende teksten. Alleen het latere werk kreeg soms een vrijere vertaling, als die al bestond of door de schrijfster zelf was gemaakt. Als Nederlanders genieten we het grote voordeel om het Afrikaans goed te kunnen volgen; een lust voor de liefhebber en een mooie bron voor de onderzoeker.

Dubbellevens

Meer dan zeventig schrijfsters krijgen het woord, ieder (op de anonimi na, natuurlijk) geïntroduceerd met een boeiende biografische schets. Een werkelijk literaire praktijk ontstond pas in de loop van de twintigste eeuw, toen uitgevers vrouwenliteratuur in het Afrikaans gingen uitgeven; we kennen naast Jonker namen als die van Wilma Stockenström, Antjie Krog, Marlene van Niekerk en Ronelda Kamfer. Voor de vroegere periode is geen strenge literaire maatstaf aangehouden, schrijven Van Beek en Van Niekerk, aangezien de teksten ook als onpretentieuze schrijfsels al zeldzaam zijn en bovendien hun eigen zeggingskracht hebben.

Inderdaad: wie zoals ondergetekende denkt dat religieus geïnspireerde verzuchtingen van huisvrouwen wel saai zullen zijn, wordt verrast. De dagboeknotities van Susanna Smit (Olifantsfontein, 1799 –Pietermaritzburg, 1863) bijvoorbeeld, op ‘blaaitjes papier’, zijn krachtig en ontroerend, zeker als je bedenkt dat ze in gestolen uren voor of na de lange werkdag zijn geschreven aan de keukentafel. Susanna was op haar dertiende al uitgehuwelijkt aan predikant Erasmus Smit, die nukkig en drankzuchtig bleek. Geen wonder dat – bij het sterke gemis van haar moeder, ook prachtig beschreven – de conversatie met God belangrijk voor haar was; het liefst was zij een man geweest om Zijn woord bij de ‘kaffers’ te kunnen verspreiden. Ze was vast een succesvol zendeling geworden; haar woorden zijn direct en haar beelden aansprekend:

‘[Woensdag Avond 1 juli 1846] In den loop van dezen dag, was myn arme hart weder bezwaard door tijdelijke zorgen, toen omstreeks twaalf uren des middags een arme onschuldige hoender Hen in huis kwam, dat onschuldig dier stond voor mij en keek my aan, als of ze tot mij zeide: ik zorgt niet, en heeft toch geen gebrek, terstond dacht ik ja toch hoe warm is zij in haren fedren mantel gehuld, en hoe vet en gezond, En ik die een veel edler en hooger schepzel Gods ben dan zij, zal mijn schepper mij dan ook niet verzorgen? te meer daar Gods zoon mij een aanspraak op den Vaders- zorge van myn schepper verworven heeft. Zal God dan de gekochten door het bloed van zyne lieven Zoon, tot een armoede verwyzen, waar ze hulpeloos in omkomen? Zeker niet, Jezus vermaning Matth. 6 kwam mij in de gedachten, En ik ben tot nu toe getroost, De Heere hoop ik, zal mij weder vroeg wekken tot Zijn lof.’

Je ziet Susanna voor je, oog in oog met de vette hen die haar huis is binnengestapt. Haar taalgebruik toont kenmerken van het gesproken Afrikaans (hier de incongruentie tussen onderwerp en werkwoord) maar staat nog dicht bij het Nederlands – haar man was een native speaker.

Een ander ik

Anderhalve eeuw na Susanna schrijft E.K.M. Dido (Tsomo, 1951), de eerste ‘kleurlinge’ die een boek publiceerde in het Afrikaans, even simpel en sfeervol over de ruwe omstandigheden van het Kaapse zwerversbestaan. Dido groeide tweetalig op in een gemengde gemeenschap, sprak Xhosa en Afrikaans, maar moest onder invloed van de segregatiewetten in de jaren zestig en later meermaals verkassen. Van Beek en Van Niekerk merken op – en dit lijkt mij een sleutelzin om de Zuid-Afrikaanse situatie goed te beoordelen –:

‘Dido’s rather intriguing situation – writing in the “language of the oppressor” (which is also her own mother tongue) but writing against oppression (both racial and gender oppression) – exemplifies the oversimplification of the assumption that there is a clear correspondence between certain cultural/language groups and certain political positions.’

De samenstellers hebben alles in het werk gesteld om de subtiliteiten van de grote geschiedenis, de schuivende identiteiten én de individuele levens recht te doen. En ze hebben een schatkamer aan indrukwekkende, vaak pijnlijke maar even vaak sprankelende teksten bijeengebracht. Zoals deze van Dido:

‘Die naglug is koel. Die volmaan hang soos ’n groot blouvaal bal in die hemelruim. Ver onderkant my flikker die stad se derduisende geel, wit, rooi en groen liggies so ver as die oog kan sien. Verder weg is daar ’n enorme poel donkerte wat net deur een kolletjie liggies onderbreek word. Die see, het Brainy my vroeër meegedeel. Daar doer lê Robbeneiland, daar waar die liggies nou so flou skyn, het hy vroeër gesê.

Ons is teen ’n heuwel. Ver onderkant my sien ek af en toe hoe ligte in groot dubbelverdiepinghuise afgaan. Ek beny die mense wat nou snoesig tussen hulle vier mure aan die slaap sal raak.’

(Uit: ’n Ander ek, 2007)

Esther Wils is freelance recensent. Zij is bezig met het oprichten van een Indies tijdschrift dat met ingang van oktober aanstaande ‘krities en onafhankelik’ (met dank aan Multatuli en Du Perron) boeken, tentoonstellingen, onderzoeksprojecten, museum- en archiefbeleid op het gebied van de (post)koloniale geschiedenis en cultuur gaat volgen.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum