Recensie: Mensen van vlees en bloed

11 juli 2019 , door Marnix Verplancke
|

Sommige levens eindigen abrupt in de oorlog, andere worden er voor eeuwig door getekend. Dat van Veit Kolbe, het hoofdpersonage uit Arno Geigers Onder de Drachenwand is van de tweede soort.

N.B. Dit is de laudatio van Marnix Verplancke voor Arno Geigers Onder de Drachenwand tijdens de bekendmaking van de shortlist van de Europese Literatuurprijs 2019. Eerder publiceerden we een fragment voor uit Onder de Drachenwand, en nog eerder uit De oude koning in zijn rijk.

Niet de vliegtuigen maar de mensen

Het is 1944. De drieëntwintigjarige Veit is levensgevaarlijk gewond geraakt aan het Oostfront en keert terug naar het Wenen van zijn ouders. Die lijken echter minder aandacht te hebben voor zijn gebroken kaak en de wonde in zijn dij die regelmatig uitgesneden moet worden om de groei van wild vlees tegen te gaan, dan voor de oorlogsinspanning. Nog even op de tanden bijten, zegt vader, en dan volgt de eindoverwinning. Het zijn woorden die Veit, na alle dood en vernieling die hij in het oosten heeft gezien, danig tegen de borst stuiten. Dus trekt hij naar Mondsee, het dorp in de Alpen onder de Drachenwand, waar ook zijn oom woont. Hij wil er zich even terugtrekken om zowel fysiek als mentaal te genezen, want de levenslustige jongen van weleer is aan het front veranderd in een geslagen en vroegoude man.

Zo begint Arno Geigers roman Onder de Drachenwand, een boek over de Tweede Wereldoorlog, zo lijkt het wel, maar misschien wel over veel meer, want in Mondsee is de oorlog nooit tastbaar aanwezig. Alleen de overvliegende eskadrons bommenwerpers, op weg van Sicilië naar de Zuid-Duitse steden, herinneren er de bewoners aan dat er werkelijk gevochten wordt, zeker wanneer een paar van die vliegende forten uit de lucht gehaald worden door Messerschmidts en de bemanning bungelend aan parachutes op de metersdiepe sneeuw afstevent.

Net als in De oude koning in zijn rijk, de roman waarin Geiger het verhaal van zijn dementerende vader neerschreef en waarin hij tot de angstwekkende vaststelling kwam dat hij de man veel te weinig vragen had gesteld toen hij nog lucide was, houdt hij hier een pleidooi voor het bewaren en herwaarderen van menselijke ervaringen. Niet de vliegtuigen staan centraal, maar wel de mensen die ze over hun hoofd naar het noorden zien vliegen. En dat zijn er heel wat. Zo is er Veits vrekkige hospita, en haar ronduit nazistische man en zijn oom die beseft dat de wijn de laatste jaren zurig en wrang smaakt en opmerkt dat er heus wel betere tijden aankomen. Veel liever is Veit echter bij de Braziliaan, een Oostenrijkse emigrant die wacht op het einde van de oorlog om voor de tweede keer te vertrekken naar zijn nieuwe thuis en intussen naar de muziek van Villa Lobos luistert en planten kweekt. Hij is vegetariër en heeft ook een vegetarische hond, die wellicht net omwille daarvan niet is opgeëist door de militairen, omdat ze geen zin hadden om iedere dag groenten voor hem te moeten koken. Het is diezelfde Braziliaan die Veit met zichzelf en zijn verleden confronteert door hevig te keer te gaan tegen 'de F.' zoals hij de Führer steevast noemt. Het nazisme is immers de ideologie waarmee Veit grootgebracht is, en ondanks alles ziet hij Hitler nog steeds als een groot man. Maar hij twijfelt, toont Geiger ons subtiel. Ook wanneer zijn dij al flink genezen is en hij in feite zonder krukken de deur uit zou kunnen, blijft hij deze toch gebruiken. Ze geven hem immers het beste excuus om de Hitlergroet niet te moeten brengen.

En er lopen ook frivolere wezens rond in Mondsee, zoals de twaalf en dertienjarige meisjes die net als hij uit Wenen komen en voor de veiligheid naar de bergen gestuurd zijn. En hun lerares natuurlijk, zo stuurs en afstandelijk dat hij bij haar wel een blauwtje moet lopen. Meer succes heeft hij echter bij Margot, een pas getrouwde jonge vrouw uit Darmstadt wiens man aan het front zit. Dit wordt iets, heb je als lezer al gauw door.
In handen van een middelmatig schrijver was Onder de Drachenwand wellicht - vergeef me de woordspeling - een draak van een roman geworden. Je ziet het zo voor je: het archetype van een gewonde soldaat komt in een Oostenrijks dorp een paar andere archetypes tegen en krijgt er zelfs te maken met het verhaal van de archetypische jood die niet op tijd uit Wenen gevlucht is voor de nazi's en daardoor samen met zijn familie de ondergang tegemoet gaat. Niet zo in de handen van Geiger dus. Geen bordkartonnen personages die in naam van een groep spreken, maar mensen van vlees en bloed die nooit clichés worden.

De brieven en de knopen

Tien jaar geleden vond Arno Geiger op een vlooienmarkt een pakje brieven die afkomstig waren uit het dorp aan de voet van de Drachenwand. Ze maakten een roman in hem wakker die een decennium lang in zijn achterhoofd lag te rijpen. De brieven zelf komen terug in het boek, al dan niet gefictionaliseerd, als berichten uit de buitenwereld die net als de overvliegende eskadrons bommenwerpers Veit eraan herinneren dat de oorlog nog steeds woedt. Ze verhalen over honger, dood en vernieling, over pogroms, haat en nijd. Veit had een zus, Hilde, die stierf toen hij zestien was. 'Als ik niet kan slapen,' vertelde ze hem ooit, 'naai ik nog een knoop aan, dan vergeet ik alles.' Wanneer hij 's nachts wakker ligt omwille van alle afschuwelijks dat hij hoort, wou hij dat hij ook een paar knopen had om aan te naaien.

En misschien zouden wij vandaag ook wel een paar knopen kunnen gebruiken, zei Arno Geiger me toen ik hem eind vorig jaar interviewde. 'Het is de taak van de literatuur om iets relevants over het heden te zeggen, anders is ze die naam niet waardig,' zei hij. 'Veit Kolbe heeft weinig vrijheid, maar hij gebruikt die wel ten volle. Wij hebben veel vrijheid, maar we lijken haar niet naar waarde te schatten. Negentig procent van de mensen zwemt met de stroming mee. Tachtig jaar geleden was dat zo en vandaag is dat nog steeds zo. Zij steunen het systeem zonder dat zij dit echt willen, gewoon omdat ze meezwemmers zijn. Met mijn roman wou ik geen groot politiek gebaar maken, maar wel meer algemene, misschien ook belangrijkere vragen stellen: wat is een mens en wanneer mag hij zeggen dat hij een humaan leven heeft geleid? En dat geldt vandaag net zo goed als tachtig jaar geleden.'

Alvorens af te sluiten wil ik toch nog eens terugkeren naar de brieven die in Onder de Drachenwand zo cruciaal zijn. Ze zijn niet alleen cruciaal voor degenen die ze ontvangen, maakt Geiger duidelijk, maar ook voor degenen die ze schrijven. Schrijven is immers de manier bij uitstek om je verhaal te doen, en je verhaal kunnen doen is onontbeerlijk voor je overleven, zeker tijdens een oorlog. 'Als je je verhaal kunt vertellen, heeft het ook een vervolg,' schrijft Geiger. Dan zie je een uitweg. Mensen zijn verhalende dieren en zonder die verhalen kunnen ze niet overleven, is wellicht het belangrijkste idee uit Geigers indrukwekkend fijnzinnige roman. Een mooiere ode aan de literatuur kan ik me in feite niet indenken.

Marnix Verplancke studeerde filosofie en publiceert op regelmatige basis in De MorgenKnack en Trouw over literatuur, filosofie en wetenschap.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum