Recensie: Rondzwemmen in een getroebleerd brein

19 februari 2019 , door Miriam Rasch
| |

Hij zou gelijk krijgen, Lars Hertervig, dat hij een van de beste schilders van zijn tijd was en dat alle anderen gewoonweg te stom waren om dat te zien, zoals hij steeds maar blijft herhalen in de lange litanie die Melancholie I is, de roman die Jon Fosse optekende uit het hoofd van de Noorse romantische landschapsschilder (vertaling Edith Koenders en Adriaan van der Hoeven). ‘Je hebt gelijk, Lars Hertervig, je zult gelijk krijgen, Lars Hattarvåg, Lars uit de baai met eilandjes die op hoeden lijken, je krijgt gelijk,’ wil je roepen, uit medelijden of ergernis of allebei tegelijk. Hij zou gelijk krijgen, maar het zelf niet meer meemaken.

Klassieke vragen

Is gekte een voorwaarde voor het scheppen? Vraagt goddelijke inspiratie om het zwarte gal van de melancholie? Klassieke vragen die Jon Fosse onderzoekt door zich onder te dompelen in de waanzin van een van de grote nationale schilders van Noorwegen. Melancholie I bestaat uit drie delen (er is ook een nog te vertalen Melancholie II, dat verhaalt van de dood van Hertervig in 1902).

In het eerste en verreweg langste deel volgen we de jonge Lars Hertervig, die in de herfst van 1853 studeert aan de kunstacademie van Düsseldorf en op een daglange Werdegang steeds verder wegzakt in een zenuwinzinking. Drie jaar later, in het tweede deel, gaat het nog niet echt beter met hem: we ontwaken met hem in zijn bed in het gesticht Gaustad.

Het derde deel (ook een epiloog te noemen) ten slotte, speelt in 1991. Een schrijver, Vidme, zelf ook behoorlijk melancholisch gestemd, wil een boek schrijven over Hertervig.

Getroebleerd brein

Dit summiere overzicht van de opzet van de roman zegt weinig over wat de lezer zal meemaken als ze het boek openslaat. Bijna driehonderd pagina’s lang zal ze rondzwemmen in het getroebleerde brein van de jonge schilder, die in eerste instantie misschien lijkt te lijden onder typische studentenkwalen maar al snel niet anders dan compleet geschift te noemen is.

Terwijl om hem heen allerlei ingrijpende dingen gebeuren steekt Hertervig een bezwerende monoloog tegen zichzelf af. Op onnavolgbare wijze weet Fosse het voor elkaar te krijgen dat we, hoewel we steeds in het door en door paranoïde en mistige hoofd van Hertervig verblijven, toch begrijpen wat er zich buiten hem om afspeelt.

Er is een onschuldige affaire met de jonge dochter van zijn hospita, die niettemin tot gevolg heeft dat hij moet verhuizen. Er is een verschrikkelijk pijnlijke scène in het plaatselijke schilderscafé, waar zijn studiegenoten hem in de maling nemen. Er is een beangstigende schermutseling bij het gesticht, die eindigt met een sneeuwballengevecht als een steniging. Dan heb je de gebeurtenissen trouwens ook wel zo’n beetje gehad.

Het licht

Er zit maar één ding op en dat is loslaten. Je zult dit hoofd binnen moeten stappen en moeten wachten tot het voorbij is, tot de golven van de zee die dit mens voortstuwen jou uitspugen, veilig de vloedlijn op. Waarom zou je dat doen? Nou, bijvoorbeeld om meer te weten te komen over het scheppen, de inspiratie, over het goddelijke zelfs. En over gekte.

Al vroeg in de roman denkt Lars terug aan hoe hij het licht zag (in de letterlijke betekenis van die uitdrukking), licht dat rechtstreeks in verbinding staat met het schilderen. Maar misschien was dat ook wel het moment waarop zijn desintegratie begon. Het licht dat uit de ogen van zijn geliefde Helene stroomt, het licht dat hij ziet op andere schilderijen en in het landschap, het licht dat hem laat zien, meer dan anderen, maakt plaats voor hallucinaties, vooral van kleren. Kleren? Ja, kleren:

‘En ik kijk je aan en ik zie je witte jurk tot iets wits worden, tot iets wits wat zich beweegt en jouw jurk wordt en dan beweegt dat witte zich naar mij toe, het wit komt steeds dichterbij en dan, plotseling, is er iets zwarts in al dat witte en dan zie ik een wit en zwart kledingstuk voor me en het kledingstuk komt op me af, beweegt zich dan plotseling van me af. En dan splitst het zich. En de kleren bewegen zich naar me toe, dan weer van me af. De kleren zijn wit, zwart. De kleren bewegen zich naar me toe, dan weer van me af. De kleren bewegen, bewegen zich en komen op me af.
Nee, niet doen, zeg ik.
[…]
En de kleren proberen zich in mijn mond te persen. Ik breng mijn hand naar mijn mond, probeer de kleren eruit te trekken, want ik moet de kleren toch uit mijn mond trekken! de kleren mogen me niet verstikken! ik moet de kleren uit mijn mond trekken, dat moet! en ik breng mijn hand naar mijn mond, trek hard, maar de kleren verdwijnen.’

Die uitroeptekens! Dat kunnen maar weinig schrijvers maken.

Scheppen?

De schrijver Vidme heeft, zo lijkt het, ook het licht gezien, een moment lang het goddelijke gevoeld. Maar hij leeft in de jaren negentig van de vorige eeuw en niet in de romantiek. Wat moet je dan? Teruggaan naar de kerk? Zelfs de pastoor is tegenwoordig vrouw en dat is niet zozeer seksistisch bedoeld als wel om te zeggen: alles is tegenwoordig gewoon. Vidme is er daarom misschien ook iets beter aan toe dan Hertervig (hij zit niet in een gesticht).

Maar kan hij scheppen? Kan hij het goddelijke licht omzetten in een kunstwerk zonder dat zijn lichte depressie daartoe eerst moet uitbarsten in een psychose? Is dit boek, zijn boek? En zo ja, wat is er dan van hem geworden? Wat is er eigenlijk van ons, lezers, geworden?

De roman, die stamt uit 1995, wordt aangeprezen met een verwijzing naar Karl Ove Knausgård, die ooit leerling was van Fosse en nu zijn meester in roem voorbij is gestreefd. De twee konden niet meer van elkaar verschillen in hun onderwerpkeuze. Fosse is niet geïnteresseerd in ‘de werkelijkheid zoals die is’, zo staat in het korte voorwoord, terwijl Knausgård nu juist van het vastleggen van het dagelijks leven, van een soort hyperrealisme, zijn handelskenmerk maakte.

De litanische (liturgische) stijl, het bezwerende van de herhaling, zelfs de paranoia, het hyper-egocentrische van hun beider protagonisten: daarin is wel een verwantschap te ontdekken. Knausgård had Vidme kunnen zijn, voortbanjerend door de verregende straten van Bergen, op zoek naar verlossing maar zonder zijn ogen van de borsten van de predikant los te kunnen scheuren.

Miriam Rasch studeerde literatuurwetenschap en filosofie en werkt als onderzoeker en docent media/filosofie bij de Hogeschool van Amsterdam. Vorig jaar verscheen bij De Bezige Bij haar essaybundel Zwemmen in de oceaan. Berichten uit een postdigitale wereld [fragment]Meer op miriamrasch.nl.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum