Recensie: ‘Imagination! who can sing thy force?’

08 februari 2021 , door Joost Baars
| | | | | | | | | | | | | | | | |

Een nieuw deel in de fameuze reeks Library Of America! En wat voor een deel: Kevin Young stelde een monumentale, niet te missen bloemlezing samen: African American Poetry: 250 Years Of Struggle & Song. Het belang van dit boek is nauwelijks te overschatten, en dat zie je ook echt direct als je het boek openslaat. Ik ben een volger van de Amerikaanse poëzie, maar tóch staan er veel dichters in die ik niet ken. Zo zie je maar: de witte blik is systemisch en niet persoonlijk, en je kunt nooit stoppen die in jezelf te onderzoeken. Daar zijn zwaarwegende redenen voor, maar je moet dat ook gewoon doen omdat je jezelf anders de vreugde van een heleboel beschikbare schoonheid ontzegt. Want allemachtig, wat staan er veel goede dichters in dit boek.

Neem bijvoorbeeld Phillis Wheatley, de eerste gepubliceerde Afro–Amerikaanse auteur, wier bundel Poems on Various Subjects, Religious and Moral in 1773 in het Verenigd Koninkrijk verscheen. Zij was toen nog slaaf, was op haar zevende ontvoerd uit het gebied dat nu Senegal en Gambia beslaat, kon in de Verenigde Staten haar werk niet publiceren en week voor haar bundel daarom uit naar Engeland.

Ze schrijft:

                Imagination! who can sing thy force?
                Or who describe the swiftness of thy course?
                Soaring through air to find the bright abode,
                Th’empyreal palace of the thund’ring God,
                We on thy pinions can surpass the wind,
                And leave the rolling universe behind:
                From star to star the mental optics rove,
                Measure the skies, and range the realms above.
                There in one view we grasp the mighty whole,
                Or with new worlds amaze th’unbounded soul.

Het is alsof Young Wheatley op deze manier dit – ik herhaal het nog maar even – essentiële boek laat aankondigen. Want ook als het boek vordert en ik meer en meer dichters tegenkom die ik gelezen heb – Langston Hughes, Maya Angelou, Amiri Baraka, Gil Scott-Heron, Derek Walcott, Rita Dove, Audre Lorde, helemaal tot Paul Beatty, Ross Gay, Claudia Rankine, Jericho Brown en Tyehimba Jess – leert deze bloemlezing je radicaal anders te kijken.

The mighty whole

Dat heeft te maken met die ‘mighty whole’, want in plaats van deze dichters te lezen als zwarte onderbrekingen van een witte – Engelstalige, Amerikaanse – traditie, geeft Kevin Young de lezer met dit boek de gelegenheid die witte bril af te zetten en deze dichters te lezen in een context die uit het zicht raakt als ze gecanoniseerd zijn als simpelweg Amerikaanse dichters. Wat niet betekent dat ze dat niet zijn, natuurlijk, maar iedere bril maakt niet alleen dingen zichtbaar, maar ook onzichtbaar.

Je gaat, als lezer, de dramatische gebeurtenis zien waaruit deze jonge traditie, deze ‘mighty whole’, ontspruit. Het feit dat iemand uit Angola ongeveer even weinig te maken heeft met iemand uit Gambia als mensen die uit bijvoorbeeld Nederland en Griekenland komen, maar na hun ontvoering ineens beiden ‘zwart’ zijn – het feit dat er uit deze wond een hele poëzie voortkomt, ‘about beauty and injustice, music and muses, Africa and America, freedoms and foodways, Harlem and history, funk and opera, boredom and longing, jazz and joy’ (dixit Kevin Young), waarin het knispert en ritselt van het taal– en denkplezier, dat is confronterend en hoopgevend tegelijk, uitbundig vrolijkmakend, ontzettend ontroerend.

Historisch en persoonlijk

En ongelooflijk leerzaam. Want African American Poetry: 250 Years Of Struggle & Song biedt door de lyriek heen een alternatieve kijk op de geschiedenis van de Verenigde Staten, en daarmee van Europa. Een belichaamde blik vanuit een essentiële, maar vaak onzichtbaar gemaakte positie in de historie. Wat niet wil zeggen dat de dichters in dit boek de hele tijd over de geschiedenis en de maatschappij aan het dichten zijn.

Natuurlijk niet. Dat is een van de vele fijne aspecten van dit – ik zeg het nog maar eens: essentiële – boek, namelijk dat de samensteller zijn werk zó goed heeft gedaan dat je ook juist in de meest kleine, meest persoonlijke gedichten een doorkijkje krijgt naar die wond waarin de taal waarmee al deze gedichten zijn geschreven is ontstaan. Neem bijvoorbeeld dit zwaar ontroerende gedicht van Gwendolyn B. Bennett:

 

                Epitaph

                When I am dead, carve this upon my stone:
                Here lies a woman, fit root for flower and tree,
                Whose living flesh, now mouldering round the bone,
                Wants nothing more than this for immortality,
                That in her heart, where love so long unfruited lay
                A seed for grass or weed shall grow,
                And push to light and air its heedless way;
                That she who lies here dead may know
                Through all the putrid marrow of her bones
                The searing pangs of birth,
                While none may know the pains nor hear the groans
                Of her who lived with barrenness upon the earth.

Ik wil het er niet naartoe redeneren – je moet waken voor een kokervisie bij zoiets, daar zou je de veelzijdigheid van een dichterschap als dat van Bennett geen recht mee doen – maar dat beeld van gras dat groeit uit het lichaam van een onvruchtbare vrouw, dat wonder van een geboorte uit iemand die niet baren kan (lees: begin uit iets dat eigenlijk alleen maar einde is), het is voor mij, lezende in dit boek, alsof dat wonder zich voortdurend voltrekt, bij elk gedicht weer. ‘Imagination! who can sing thy force?’ vraagt Phillis Wheatley. These poets can, fluister ik steeds weer, these poets can. Ik weet oprecht niet of ik dit jaar nog een leeservaring zal beleven die ontstellender, essentiëler, ontroerender is.

Joost Baars werkt bij Boekhandel Van Rossum en is dichter.

pro-mbooks1 : athenaeum