Recensie: Wie we zijn, als buiten binnenkomt

11 oktober 2021 , door Daan Stoffelsen
| |

Sinds haar laatste roman, The Wolf Border, leek Sarah Hall (1974), zich vooral te richten op korte verhalen, een genre waarin ze excelleert. Ze won niet voor niets twee keer de BBC National Short Story Award. Maar het verhaal van Burntcoat, dat nu in de winkels ligt en in januari als Het atelier (vertaling Karina van Santen en Martine Vosmaer) verschijnt, is absoluut een roman waard. Het is een verhaal over een uitzonderlijke, onafhankelijke kunstenares, een prille liefde, een virus, lockdown, seks, ziekte en dood. Een intense en intieme roman.

N.B. Lees ook Daan Stoffelsens besprekingen van Sudden Traveller, Mrs Fox en De komst van de wolven. We publiceerden ook voor uit die roman en vroegen de vertaler om een toelichting.

Onafhankelijkheid

Burntcoat gaat, getuige de cryptische openingszin ‘Those who tell stories survive’ over leven en dood, over vertellen en verhalen, maar het gaat ook over wíé je bent. Die eerste zin is van de moeder van de verteller. Haar geschiedenis (die Hall grotendeels voorpubliceerde in Granta) opent met een verwarrende zin: ‘When I was eight, my mother died and Naomi arrived.’ Die schokkende transformatie beïnvloedt de ik, Edith, blijvend. Na een hersenbloeding moet haar moeder, een schrijfster, haar vaardigheden en persoonlijkheid van de grond af opbouwen - en dat dwingt Edith tot zelfstandigheid, tot autorijden, volwassen meedenken.

De ik - inmiddels is ze 59 - diept haar levensgeschiedenis op. Ze gaat naar de kunstacademie, en kiest voor ambachtelijk werk, gaat in de leer bij een Japanse houtbewerker die hout bewerkt met vuur om het te verduurzamen, krijgt de opdracht voor een reusachtige kunstwerk en wint er de Galeworth medal mee. Van het prijzengeld koopt ze een verwaarloosd pand aan de haven met de naam Burntcoat, ‘some kind of chimerical home, the studio below, an upcycled bare-brick apartment above, two hemispheres, both me’ (succes, Van Santen en Vosmaer, met dat ‘chimerical’). Ze leeft, valt, staat op, ze krijgt een fout vriendje, vindt goede vrienden. Let wel: dit is allemaal voorwerk voor het eigenlijke verhaal, strak erdoorheen verweven. Edith wint aan complexiteit, ze is een overtuigende loner, een bewonderenswaardige pionier, gemaakt door crises, klaar voor een crisis.

De perfecte pandemie

En de crisis komt. We weten ongeveer hoe: een pandemie toont de weeffouten in een maatschappij, en die halen het slechtste in mensen naar boven. Halls fictieve Hantavirus, of Nova of AG3 is alleen nog heftiger dan het Wuhanvirus, Corona of SARS-CoV-2, en de ontwrichting is nog groter. Wat we herkennen is: de lockdown. ‘The prime minister, live, apologetic, firm as a disappointed parent, told the nation to go home, and stay home: everything would close.’ Mooi, ‘firm as a dissapointed parent’. Het is de perfecte storm voor een perfecte liefde. Want kort daarvoor heeft Edith Halit ontmoet, een Turkse restauranthouder. Het klikt, het is fysiek.

‘There’s blindness to new lovers. They exist in the rare atmosphere of their own colony, trusting by sense and feel, creatures consuming each other, building shelters with their hopes. Other worlds cease. I know I felt something as it began, an understanding, foreboding, ordinance, even. Love is never the oldest story. It grows in the rich darkness.’

Een rijke duisternis, een felle verliefdheid, in bed overschrijden ze grenzen: ‘A string was broken, another spun of trust – the psychology of intimacy,’ schrijft Hall. De lockdown is een snelkookpan voor hun relatie, ze leven samen in Burntcoat, eten van de voorraden van zijn restaurant, vrijen. Dit gedwongen samenleven is een idylle, en Hall maakt de seks overtuigend, opwindend, vanaf de eerste keer, een machine met huid.

‘There was no exact event. Everything bleeds together, can’t be separated. I remember breathlessness, elation climbing through my body, charging all the nerves, unbearable restraint. The series of breaches, exquisite touches – the hollow below your ear, your mouth preparing me, your hands holding my head as the smooth tip pushed past my lips, sliding to the back of my tongue, along its live muscle. The second, third attempts, until we worked together like skinned machinery. On our sides, your forehead on my breastplate, the nipple grooming your face. My body pinned, your fingers reaching under, slick, coated.’

Hall houdt je bij de les, zoomt in, zoomt uit, Halit geeft snippers weg van zijn leven, we leren Edith nog iets beter kennen, en dan slaat Hall toe. Geweld vanbuiten verstoort hun paradijselijke situatie; Edith kneust of breekt haar pols als ze ingrijpt bij een ruzie. Halit verbindt haar, heel netjes - ‘The military service, you explained, when there was little to do but patrol the border, watching for feudal village activity, learning to polish, drill, practising first aid.’ Zij: ‘And watching pornography.’ Een hilarische dialoog ontvouwt zich, waarin zijn gêne en haar jaloezie en opwinding samengaan.
Tien pagina’s later is ook hij in een gevecht beland, gewond geraakt, en besmet met het virus.

En dood

Sarah Hall stelde in 2016 samen met Peter Hobbs de bloemlezing Sex & Death samen (ze schreef erover in The Guardian), en zoals ze in haar ijzersterke verhaal ‘Orton’ (uit Sudden Traveller) de doodsverwachting nog open hield, beschrijft ze in Burntcoat het sterfproces in detail. Zijn sterfproces. Of ook het hare?

‘This bed.
The sky, in the window, and all its unsettled colours.
This condition, so weak, so unsexual and defenceless, a state of being that has almost passed but still is.
The black, flickering door.
You.’

Het botst met de seks: ‘There was a different smell to your body, in the glands, coppery, sour. It’s the sickness, I thought, altering his chemistry.’ Het contrast tussen de vitaliteit van nog maar zo kort geleden en de zwakte nu, de geuren zijn anders (‘smell’ komt 28 keer voor in het boek, vaker dan ‘death’, ‘sex’, ‘pain’). En - Hall onderzoekt alle zintuigen - de kleuren veranderen: ‘Its head was tilted, the mouth was open and the eyes had a faint zincing on their surface. Grey-green skin, as if smoked. It radiated nothingness.’

Lockdownroman?

Hall begon aan deze roman op de eerste dag van de lockdown in Groot-Brittannië. Maar is dit een lockdownroman? Een pandemieboek? Ja, en nee. De achtergrond is herkenbaar en beangstigend in hoe Hall hem uitvergroot. Maar Halls meest apocalyptische roman De vrouwen van Carhullan (The Carhullan Army (2007), de vertaling van Wim Scherpenisse wordt in 2022 herdrukt) was veel politieker, maatschappelijker. Hall schrijft post-apocalyptische verhalen. En ze schreef ook altijd al over kunstenaars en onafhankelijke vrouwen, en als een vanzelfsprekendheid is ook Edith een sterke vrouw, en haar kunstenaarschap is doordacht en spontaan. Het zijn thema’s die aparte recensies of essays verdienen.

De kernvraag in Burntcoat is uiteindelijk een universele: hoe verhouden we ons tot elkaar — als we niet meer naar buiten kunnen. En de vraag die daarop volgt: en wat als buiten binnenkomt? Dus ja, een lockdownboek, maar ook een roman over wie we zijn in liefde en dood. Een felle roman, strak gecomponeerd, fysiek geschreven, mooi en ontroerend. Een verhaal dat overleeft.

Daan Stoffelsen is webboekverkoper bij Athenaeum Boekhandel, recensent en hoofdredacteur van De Revisor

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum