Recensie: De kracht van die verdomde huismoeder: Jane Jacobs

30 november 2015 , door Lodewijk Brunt
| | | | | | | | |

De schermutselingen tussen Jane Jacobs en Robert Moses waren een gevecht van David en Goliath. Genius of Common Sense van Lang en Wunsch, maar vooral Wrestling with Moses van Flint doet er nauwgezet verslag van. Partijdig, maar spannend, gedetailleerd, en dramatisch. Bovendien met uniek fotomateriaal, heldere kaartjes en tabellen. Jane Jacobs, de auteur van The Death and Life of Great Cities, is drie jaar geleden op hoge leeftijd overleden, deze boeken zijn een fraai eerbetoon, vindt lodewijk brunt.

Je kunt de strijd op de voet volgen. Aan de ene kant de onaantastbare stedenbouwer Robert Moses, die zijn tanden in New York had gezet en niet van plan was los te laten voordat de stad volkomen naar zijn maatstaven was omgeploegd. Hij had dertien bruggen op zijn naam, twee tunnels, zeshonderdvijftig mijl autosnelweg, zevenhonderd speeltuinen, tien reusachtige openbare zwembaden, dozijnen stadsparken en plantsoenen. Hij had meer dan een miljoen vierkante meter stadsgrond met de grond gelijk gemaakt en woontorens neergezet met bijna dertigduizend woningen. Hij bouwde Lincoln Center, het gebouw van de Verenigde Naties, Shea Stadion, Jones Beach en de dierentuin in Central Park. Hij ontmoette koningen, pausen, presidenten, gouverneurs en burgemeesters. ‘Iedere inwoner of bezoeker van New York heeft ooit door iets gereden, langs iets gelopen, in iets gezeten, over iets gevaren dat Moses heeft aangelegd,’ werd gezegd. Hij was gewend alles weg te bulldozeren dat op zijn weg kwam, maar ‘Lomex’, het koosnaampje voor zijn Lower Manhattan Expressway, werd zijn Waterloo.

Ondanks zijn dikwijls herhaalde uitroep dat ‘niemand, niemand, niemand’ hem tegen kon houden, vond hij een nietige David op zijn weg. Jane Jacobs.

Jacobs was een werkende moeder uit Hudson Street, midden in de New Yorkse Village. Ze had een paar jaar gestudeerd aan Columbia University, maar van stedenbouw of planologie wist ze niets. Ze was dol op de stad en wist wat er te koop was; haar wijsheid kwam van rondlopen, kijken, luisteren. Ze werkte voor het blad Architectural Forum en schreef af en toe korte reportages voor andere bladen. Bij toeval ontmoette ze William Whyte die voor het tijdschrift Fortune een speciaal stedennummer voorbereidde: The Exploding Metropolis. Hij zocht iemand voor een bijdrage over de binnenstad, maar Jane Jacobs zag er niets in. Ook haar collega’s probeerden Whyte op andere gedachten te brengen. ‘Ze kan niet schrijven, ze is een vrouw en ze komt op de fiets naar haar werk,’ zeiden ze. Maar Whyte schrok er niet van terug en ten slotte zwichtte ze.

Jacobs’ bijdrage was getiteld ‘De binnenstad is voor mensen’ en sloeg in als een bom. ‘Wie is dat idiote wijf,’ vroeg de uitgever, toen er een openbare discussie werd gehouden over het nummer. In haar eigen blad was Moses herhaaldelijk geprezen om zijn zegenrijke werk voor de stad, maar Jane Jacobs liet aan de hand van het Lincoln Center, een van de paradepaardjes van Moses, zien dat moderne stedenbouwers lak hebben aan de gewone mensen en bij benadering niet weten hoe een stad wordt beleefd en gebruikt. Jacobs zong de lof van de straat, de levensader van elke stad, terwijl planologen straten juist alleen maar beschouwen als grenzen of scheidslijnen tussen blokken.

Er vonden in de naoorlogse jaren ware aardverschuivingen plaats in grote Amerikaanse steden, en daar trouwens niet alleen: de opmars van de auto en de massale trek naar de voorstad die daar het gevolg van was. Ook de bewindvoerders van de Rockefeller Foundation voelden zich betrokken. Het artikel van Jacobs in Fortune leek ze relevant en ze boden de schrijfster een ruime beurs om haar gedachten uit te werken tot een boek. Drie jaar later, in 1961, verscheen The Death and Life of Great American Cities — door de auteurs van Genius of Common Sense op één lijn gezet met een aantal andere klassieke publicaties uit die tijd: The Feminine Mystique (Betty Friedan) en Silent Spring (Rachel Carson). Het boek is nu, bijna vijftig jaar later, in de Nederlandse vertaling van Maarten Polman uitgebracht, lang na de talrijke vertalingen elders in de wereld — redelijk leesbaar, maar minder flitsend dan het origineel. Jacobs had een pen om jaloers op te zijn.

Terwijl Jane Jacobs bezig was aan Death and Life, werden de plannen van Moses voor Lomex openbaar. Dwars door Lower Manhattan moest een verhoogde autosnelweg komen. De helft van Washington Square zou tegen de vlakte gaan en buurten als Little Italy zouden worden weggevaagd. Op kleinere schaal vonden overigens soortgelijke ontwikkelingen plaats in andere steden. Het centrum van Glasgow werd doormidden gesneden door een vierbaansweg en als Joop den Uyl zijn zin had gekregen, zou er van Amsterdam ook niet al te veel meer over zijn geweest.

Overal zag je op de achtergrond de slagschaduw van Le Corbusier, die met zijn invloedrijke opvattingen over de Ville radieuse het doodvonnis over de straat had uitgesproken. Zijn stad was een geweldige grasvlakte met uniforme woonkazernes langs kaarsrechte lijnen: strokenbouw. ‘Onze straten werken niet meer,’ schreef hij in karakteristieke predikersstijl, ‘we moeten iets verzinnen om ze te vervangen, we moeten ademen, we moeten leven: dood aan de straat, dood aan de straat.’ Dat ging erin als koek bij autocraten als Moses en menig architect krijgt een opgewonden kleurtje als dit door zijn hoofd speelt.

Jane Jacobs werd een van de belangrijkste actievoerders tegen het plan, dat uiteindelijk pas na vier burgemeesterstermijnen, vele honderden vergaderingen, celstraffen, intimidatie en corruptie in de bureauladen verdween. Moses heeft het nooit kunnen verkroppen dat hij zijn zin niet kreeg. De ‘slager’ die gewend was om met zijn hakmes grote stukken stad weg te kappen, beet in het zand voor ‘een zootje verdomde huismoeders’. De uitgever van Jacobs’ boek zond hem een presentexemplaar. Moses stuurde het retour met een kort briefje: ‘Geef die rotzooi maar aan iemand anders.’

In Death and Life wordt een warmbloedig straatleven geschetst als stedelijk ideaal, een zinderend ballet waarin de veelzijdigheid en complexiteit van de stedelijke bevolking wordt uitgedrukt. Stadsleven is amusant, boeiend, leerzaam, opwindend. Jacobs bezingt de menselijke schaal. Maar voor velen klinkt dit veel te idyllisch, als de droom van een huismoeder uit de gegoede middenklasse. De (ongenadige) kritiek kwam dan ook vooral van ‘links’, of wat daarvoor doorgaat — met name sociaal-democraten natuurlijk, die hun achterban, de arbeiders, het liefst in identieke flats opbergen met veel lucht en licht — leve de Bijlmer. Ook projectontwikkelaars, volkshuisvesters, corporaties en bouwbedrijven kunnen niets met de bejubeling van knusse kleinschaligheid en het levert vermoedelijk bovendien te weinig op.

Maar de waardering voor Jane Jacobs lijkt gewijzigd te zijn. Je leest het af aan de bijdragen uit de bundel van Franke en Hospers. Jacobs wordt opeens door uiteenlopende partijen en voor uiteenlopende doelen geannexeerd: de één ziet een groot econoom, de ander een groot socioloog, de derde een biowetenschappelijk waarneemster, de vierde de grondlegster van een nieuwe methode. Ze wordt er met de haren bijgesleept: een onderzoek naar onveiligheid in een Rotterdams buurtje krijgt haar stempel en ze is ook opeens de voorloopster van Rem Koolhaas.

Toe maar, het kan niet op.

Toch staan er interessante stukken in de bundel, zoals dat over creatieve buurten in Amsterdam en, mijn favoriet, over de kwestie van diversiteit in buitenwijken — een thema dat Jacobs heeft laten liggen. Maar in het algemeen vraag je je af waar in Nederland de belangstelling voor Jacobs opeens vandaan komt. De nieuwe, prestigieuze stedenbouw in Nederlandse steden — de IJ-oevers in Amsterdam, de hoogbouw langs de Maas — is met geen mogelijkheid met het gedachtegoed van Jacobs te verenigen — om over de eentonige Vinexwijken maar te zwijgen.

Je hoort het Jane Jacobs zeggen, als ze oog in oog met het Westerdok of de Piet Heinkade in Amsterdam, zou staan: ‘Deze stad is een gekkenhuis, bestuurd door de gevaarlijkste gekken.’

Lodewijk Brunt is stadssocioloog.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum