Recensie: Eurydices weerwoord

27 oktober 2009 , door Karlijn de Winter
| |

Grote zwerftochten over wereldzeeën en de binnenlanden van Europa, daar gaan de bekendste werken van Claudio Magris over. De ik-figuur van U begrijpt dus zit daarentegen vast op een welomschreven maar geografisch niet aan te duiden plek. In dit ‘Tehuis’, een soort besloten inrichting, heerst stilte en duisternis. Het oogt als een enorme bijenkorf, ‘enorm maar niet oneindig’, vol kamers, trappen en corridors. De verteller van deze onlangs door Anton Haakman vertaalde korte monoloog uit 2006 heeft hier haar laatste rustplaats gevonden. Vanuit dit gebouw met mythische allures geeft zij, als een moderne Eurydice, een eigen versie van haar lotgevallen, zegt karlijn de winter.

De vrouw uit U begrijpt dus vertelt een bekend verhaal. Net als bij Ovidius is zij door haar geliefde, na toestemming van hogerhand, opgehaald en mee naar buiten geleid. En net zoals Orpheus, keek haar geliefde, ook een dichter, onderweg achterom, waardoor zij weer terug de onderwereld is ingezogen. Waarom deed hij dat? Was zijn liefde zo groot, dat hij niet anders kon dan zijn hoofd vroegtijdig omdraaien en zijn vrouw in de ogen zien? Dat is een uitleg die jaloerse collega’s eraan hebben gegeven, zo suggereert Magris’ Eurydice, enkel om hem in een kwaad daglicht te stellen. Door haar versie van de gebeurtenissen te geven, en weerstand te bieden aan het beeld van Orpheus als een domme en onnozele verliefde, geeft ze het klassieke verhaal een typisch Magrisiaanse draai.

‘Nee, ik ben niet naar buiten gegaan, meneer de Voorzitter, zoals u ziet ben ik hier,’ opent de vertelster haar relaas. Die ‘voorzitter’ van het Tehuis is een constante aanwezige in de monoloog, een mysterieuze, ondoordringbare grootheid. Hij is degene aan wie ze haar woorden richt, al kan ze zijn gedaante niet ontwaren in de donkerte van het gebouw. Ze had weliswaar niet verwacht dat hij zich, ook voor wie eenmaal in dit ‘Tehuis’ of in feite dodenrijk is beland, dusdanig onzichtbaar zou houden, maar toch staat haar dat niet tegen: ‘Dit gesluierde, ondoordringbare licht bevalt mij juist; ik heb een gevoel alsof ik op de bodem van de zee ben, waar alles stilstaat, onbeweeglijk, ook de tijd.’

Deze duistere setting van het Tehuis, en de nog raadselachtigere figuur van de Voorzitter, sluiten aan bij de meer ongrijpbare kant van Magris’ oeuvre, bij dat wat hij zelf ‘la scrittura notturna’ (het nachtelijke schrijven) noemt. In tegenstelling tot de lucide gedachtegangen in bijvoorbeeld Donau (1988) en Microcosmi (1998) geeft hij in werken als Blindelings (2007) en U begrijpt dus de ruimte aan de ongenaakbaardere, meer weggemoffelde kronkels en krochten van het geestesleven. In deze monoloog gaat het niet zozeer om de logica van het verstand maar om de soms moeilijk te vatten verlangens van het hart.

De vrouwelijke verteller, die zich opwerpt als een muze van haar in het rijk der levenden achtergebleven geliefde, spreekt daar gepassioneerd over. Ze kan als een echtgenote op leeftijd op gemoedelijke, familiaire toon hebbelijkheden van haar man en anekdotes over hun gezamenlijke leven beschrijven. Toch lijkt hier telkens een soort diepere vervoering aan ten grondslag te liggen. Haakman heeft dat allemaal kundig overgezet naar een even ongedwongen als meeslepend Nederlands, ook op de momenten waarop Magris’ proza aan poëzie raakt en de zinnen exuberanter worden:

‘U, Voorzitter, kent beter dan enig ander het menselijk hart. Sinds onheuglijke tijden, een eeuwigheid, ziet u hoe het majestueus opzwelt, in extase opspringt, zich geestdriftig opent wanneer het uitkomt en zich onbewogen sluit wanneer het erom gaat werkelijk tol te betalen – altijd te goeder trouw, welteverstaan, allen willen maar al te graag lijden vanwege hun overgevoeligheid en vol mededogen vertederd raken wanneer ze die anderen zien lijden die ze onschuldig gekwetst hebben.’

De manier waarop Magris de gevoelens en verlangens verwoordt die in deze monoloog centraal staan past niet in geijkte kaders. Dat deze tekst duister oogt, lijkt behalve met de setting daarom ook vooral te maken te hebben met de onbekende (denk)patronen die hier worden uitgezet. Maar juist doordat Magris clichés vermijdt, weet hij ook de complexiteit te laten zien van menselijke verlangens en relaties. Zo is ook de liefde hier niet meer wat hij bij Ovidius was: groots en vernietigend en overzichtelijk, in een helder verhaal te vervatten.

Behalve een herschrijving van een klassieke mythe vanuit vrouwelijk perspectief biedt U begrijpt dus hiermee ook vooral een bespiegeling op het moderne schrijversschap. Schrijvers proberen de dingen wel te begrijpen, maar hoeven en kunnen dat niet altijd en moeten dat ook onder ogen zien – dat is tevens waarom Magris’ Eurydice naar eigen zeggen zelf haar dichter-geliefde uit de duisternis van het onderwereldse Tehuis heeft weggestuurd. Nee, het was niet zijn liefde die hem deed omkijken, maar haar wil om verborgen te blijven. In weerwil van de titel Lei dunque capirà (die vanuit het Italiaans eveneens als 'Zij begrijpt dus' had kunnen worden vertaald) vormt dit boek een eervolle acceptatie van het onbegrip.

Karlijn de Winter studeerde communicatie- en informatiewetenschappen aan de VU te Amsterdam en Italiaanse taal en cultuur aan de Universiteit Utrecht. Op dit moment werkt ze als freelance tekstschrijver. Daarnaast is ze redactielid van Recensieweb.nl.

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum