Recensie: Eva, Miss Marple, Epicurus en Voltaire: terug naar de tuin

30 november 2015 , door Lex ter Braak
| | | | | | | | |

Dat ook het design van de tuin aan de eisen van de tijd aangepast moet worden, is een van de laatste stuiptrekkingen van het modernisme. Dat is agressief stedelijk van aard en heeft tot militant doel de massale purificatie van het groen. Het stadsgroen moet uniform, overzichtelijk, beheersbaar en kostenbesparend zijn, het moet onbegaanbare woekering verijdelen net als de subjectiviteit van de zeldzaamheid en de idylle van het persoonlijke. De Valse Christusboom (nomen est omen) is bij de stedelijke groenvoorzieningen geliefd voor nieuwe beplanting omdat die laat en dan dunne bladeren krijgt, daardoor weinig schaduw geeft - want daar houdt de Nederlandse zonaanbidder niet van; en de geringe bladval in de herfst levert weinig overlast voor de autobezitter op, geen strooigoed in de wind en in de herfst geen natte bladerdekens over de motorkap, stelt lex ter braak vast, en hij weet zich daarin gesteund door de tuinfilosofieën van Robert Poque Harrison en Eva Demski.

Maar de modernisering van de tuin heeft niet alleen de stedelijke overheden in haar greep, ook particulieren en bedrijven zijn haar willige uitvoerders. Villatuinen worden asfaltparadijzen van oprijstroken en rotondes die het verkeer (?) van gasten en leveranciers in efficiënte banen moeten leiden. Huiseigenaren bestraten en betegelen hun tuinen tot in de uiterste hoekjes om hun ligstoelen in elke denkbare zonnestraal te kunnen plaatsen. Het majestueuze groen in de eens ondoordringbare tuinen van statige stadsvilla’s wordt gekapt en gerooid om plaats te maken voor genummerde kantoorparkeerplaatsen. Kleurrijke scharrelvogeltjes hebben er niets meer te zoeken, op de stenen vlaktes heerst nu de genadeloze ekster.

Modernisering is ook professionalisering en als gevolg daarvan gemeenschappelijke uitsluiting. Dat zelfs Miss Marple als gevolg daarvan in de kou zou komen te staan had haar schepster nooit kunnen bevroeden. Nog niet zo lang geleden was ik bij een bijeenkomst die tot doel had een gemeenschappelijk platform op te richten voor allerlei ‘groene’ organisaties die de belangen behartigen van stedelijke parken, landschapsarchitecten, landgoederen, groen erfgoed, tuinen. Een van de eerste dingen die met een trotse fermheid gezegd werden, was dat het platform zich niet op de Miss Marples moest richten. Dat is een bitter statement in het licht van het bovenstaande: juist de Marples hebben in een lange traditie van liefde en toewijding de tuinen hun gezicht gegeven. Nu die het domein van projectontwikkelaars, asfalteerders en groothandelaars zijn geworden, worden ze (wederom) verdreven uit hun paradijzen.

De hoogleraar Italiaanse letterkunde aan de Stanford University en cultuurcriticus Robert Poque Harrison opent zijn nieuwste boek Gardens. An Essay on the Human Condition met de eerste uitdrijving, van Adam en Eva uit het de Tuin van Eden. Die, zo interpreteert Harrison avontuurlijk, was door Eva bewust gezocht omdat zij daardoor van consument producent kon worden, en in plaats van passief te genieten van eeuwige vruchten nu zelf vrucht kon dragen en kon zorgen voor de tijdelijke opbrengst van de moeizaam bewerkte aarde. Het was de beslissende stap van onsterfelijkheid naar sterfelijkheid, van onveranderlijkheid naar geboorte en dood. Adam moest haar wel volgen maar niet van harte, liever was hij in de tuin blijven niksen (kijk maar naar de schilderijen, zegt Harrison, Adam loopt verdwaasd achter een zelfbewuste Eva aan, zij aanvaardt haar toekomst). Pas door de tuin te verlaten konden zij hun eigen mogelijkheden en talenten ontwikkelen en hovenier, kweker, boer, tuinman, kortom, mens worden.

Het ‘zweet des aanschijns’ dat daar het gevolg van was, vroeg om nieuwe paradijzen als oorden van eeuwig welbehagen. Harrison weeft het verlangen naar de paradijselijke tuin door zijn analyse van de betekenis die sommige tuinen in de West-Europese cultuurgeschiedenis hebben, met af en toe een klein uitstapje naar de het Oosten. Dat stelt na de paukenslag van de magistrale openingshoofdstukken toch teleur. Harrison blijft erg in het veilige rijk van de literatuur en de filosofie hangen om zijn cultuurkritiek op de consumptiemaatschappij en het Faustiaanse gejaag van de moderne mens een intense kleur te geven. Dat is jammer want over de filosofie van tuinen en het tuinieren, Voltaires imperatief om de eigen tuin te cultiveren en de immer veranderende opvatting over paradijselijk groen valt veel meer te zeggen dat werkelijk hout snijdt.

Harrison plaatst het menselijk verlangen naar artificiële paradijzen tegenover de aardse tuinen. Artificieel zijn die tuinen die net als de Tuin van Eden hun eigenheid ontkennen, waar verval, dood en aardse werkzaamheden zijn uitgebannen. Het zijn de begoniaperken in steden die in de nacht door nimmer verwelkende exemplaren vervangen worden, het is de betoverde maar steriele tuin van Alcina uit Orlando Furioso, het domein van maagden en jonge meisjes, waar het altijd lente is en de bloemen eeuwig bloeien. Voor Harrison is deze zestiende-eeuwse variant van de plastic tuin tegelijk het symbool van onze technocratische samenleving in haar rusteloze wil tot macht over leven en dood.

De aardse tuin van de Griekse filosoof Epicurus is daar het tegenvoorbeeld van. Van deze kleine tuin buiten Athene plukten Epicurus en zijn leerlingen letterlijk en figuurlijk de vruchten, zij aten er van de opbrengst, bewerkten de grond en cultiveerden er hun conversatietechniek. Al doende leerde Epicures zijn volgelingen te genieten door afstand te nemen van de zinloze rusteloosheid van het leven en door het beheersen van de chaos.

Harrison citeert veel uit Karel Capeks beroemde en onovertroffen Het jaar van de tuinman. Deze Tsjechische auteur filosofeerde en associeerde over leven en dood, de tuin en het leven al werkend in zijn tuin. Het gevarieerde, net verschenen Gartengeschichten van de Duitse schrijfster Eva Demski komt daar dicht bij de buurt. Veel van wat Harrison aan de orde stelt, keert bij Demski terug — maar lichter, misschien meer doorleefd omdat zij vanuit de tuin en niet vanuit de literatuur schrijft en denkt.

Eva Demski verbindt het tuinieren met herinneringen, bezoeken aan andere landen en steden, mensen die ze ooit ontmoet heeft. In haar licht ironische stukken laat zij zich kennen als een vrouw die met beide benen stevig op de grond staat zonder dat zij het gevoel voor het bijzondere verliest. Tuinieren is voor haar een stuk grond zover krijgen dat het iets geeft wat het uit zichzelf niet zou doen — dat wat Harrison het cultiveren van de mens noemt. Als de tuin geeft wat de mens met al zijn werk vraagt dan is er sprake van ‘Gartenwollust’. En dat, aldus Demski, is het gevoel dat er niet iets beters kan zijn.

Ook zij schrijft over de tuin van Epicurus, en zij vraagt zich af wat zij daar verbouwd zouden hebben. Lichtvoetig gaat zij de lezer voor, de tuin in. Vijgen denkt ze, want die bomen geven veel schaduw en daarin is het goed converseren; noten- en olijfbomen zullen er gestaan hebben en water was er ook — want wie zich wil oefenen in zelfverbetering en gelukkig zijn ‘kommt ohne Wasser nicht aus’.

Eva Demski begint haar boek met een beschouwing over de tuin van haar ouders. Denkend aan haar tuinierende moeder en mogelijk met de nodige zelfspot zegt zij dat de tuin voor haar de enige mogelijkheid was om zonder treuren oud te worden. Zij had de wereld de rug toegekeerd om daarvoor de tuin in het gezicht te zien. Demski’s Gartengeschichten is ook een ode aan de Miss Marples, de Eva’s die elke uitdrijving ongedaan willen maken. Zij schilderen en beeldhouwen met planten, bloemen, grassen, bomen en zo creëren zij nieuwe werelden, aardse paradijzen - en dat vraagt alle ruimte.

Lex ter Braak is directeur van het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst. Hij schrijft daarnaast regelmatig over literatuur en beeldende kunst voor o.a. Vrij Nederland. Lex ter Braak heeft carte blanche - hij kiest vrijelijk uit de collectie van Athenaeum Boekhandel titels om over te schrijven.

Gerelateerde artikelen

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum