Recensie: Goethe & Schillers vriendschap onttinkeld

30 november 2015 , door Lex ter Braak

In 1857 werd in Weimar feestelijk het dubbele standbeeld, das Goethe und Schiller Denkmal, onthuld. De alom gevierde beeldhouwer Ernst Rietschel die al heel wat monumenten op zijn naam had staan, had een deel van zijn onderwerp, Goethe, in diens laatste levensjaren twee keer ontmoet, het andere deel, Schiller, niet meer, die was al in 1805 overleden. Over de gelijkenis van de  twee dichters werd van het begin af aan heftig gediscussieerd. Goethe, daar was iedereen het toch wel over eens, was te flatteus weergegeven. In werkelijkheid was hij een stuk dikker en vooral kleiner; en Schiller was misschien wel iets te nobel en te vlammend neergezet, zegt lex ter braak.

Maar Rietschel moet zich bij het afbeelden voor dezelfde problemen gesteld hebben gezien als de  middeleeuwse schilders die het leven van Christus verhaalden. Hoe aards mocht Hij zijn, hoeveel zichtbare pijn kon de Zoon van God dragen, hoe gewoon was Zijn Lichaam? Goethe  kon niet als een klein vadsig mannetje naast de lange, slanke Schiller afgebeeld worden. In hun bronzen samenzijn moest onmiddellijk duidelijk zijn dat Goethe de grootste dichter van de twee was - op voet van gelijkwaardigheid, dat dan weer wel.

Op de omslag van Rüdiger Safranski’s nieuwste boek, Goethe & Schiller. Geschichte einer Freundschaft (de vertaling verschijnt in februari bij Atlas) staat alleen het bovenstuk van Rietschels beeld en dan van achteren gefotografeerd. Dat levert een onverwacht intiem beeld op. De weelderige frakken en kapsels vloeien in elkaar over; wie wie is, is niet meteen duidelijk; de een, zo lijkt nu in het andere perspectief, houdt de ander vast met een liefdevolle gebaar. Zij hebben zich van de lezer afgekeerd en beschouwen in zichtbare harmonie wat misschien de ruimte van het volledige leven genoemd kan worden. Tenslotte waren zij daar groot in: in het overzien van en betekenis geven aan hun leven, hun tijd, op een dusdanige wijze dat zij nog steeds gevierd worden als de helden van de geest.

Het en-teken tussen hun namen op het omslag bevestigt het beeld dat de foto oproept: Safranski arceert met tere maarbuitengewoon trefzekere lijnen de vormen van een open, gelijkwaardige vriendschap. Deze vriendschap is van het begin af aan onderwerp van gesprek, roddel, achterklap en jaloezie geweest. Beroemde tijdgenoten als Wieland, Schelling, de gebroeders Schlegel dachten er het hunne van en ook later is het een onuitputtelijk onderwerp van velerlei beschouwing geweest. Naast de geschreven getuigenissen en dagboekaantekeningen van de tijdgenoten is de uitvoerige correspondentie tussen Goethe en Schiller zelf de belangrijkste bron. Wie iets van hun vriendschap wil vinden, wat die voor de ontwikkeling van hun beider denken en scheppend vermogen heeft betekend moet daar te rade gaan.

Dat doet Safranski dan ook en het lukt hem op bijna achteloze wijze het persoonlijke belang van die vriendschap voor hen beiden te benoemen. Hij benadert Goethe en Schiller niet als de verkilde legendes op hun sokkel, ontheven aan het leven van alledag, bij Safranski zijn het twee mensen die naar een volwaardig leven streven, die denken op de top van hun kunnen en hypotheses over de dichtkunst, het drama, de geschiedenis en het geloof opstellen en aan elkaar voorleggen, die in die ruimte elkaars eigenaardigheden accepteren en als iets bijkomstigs beschouwen. Het bekende citaat van Aristoteles waarmee Safranski zijn proloog opent, illustreert ook in deze context hoe zeldzaam dat is. Lieve vrienden, zo sprak Aristoteles, er is geen vriend.

Het duurde lang voor Goethe en Schiller werkelijk vrienden werden. Schiller hoopte erop, hij zocht toenadering maar Goethe hield de boot af. Hij was bang voor Schillers romantische vrijheidsdrift, diens wilde en ongeregelde natuur, zoals Goethe dat meende op te maken uit Schillers eerste drama Die Räuber. Maar toen ze elkaar na omtrekkende, door Safranski als bijna spannend beschreven bewegingen eindelijk spraken (hoofdstuk vijf!) was het ijs definitief gebroken. Van de zomer van 1794 tot Schillers dood op 9 mei 1805 spraken en schreven zij elkaar bijna dagelijks. En na Schillers dood doolde zijn geest nog lang in Goethes schrijfkamer. Goethe verzorgde er de uitgave van hun briefwisseling en koesterde er nog een tijd een opgegraven schedel waarvan gedacht werd dat die van Schiller was – naar later bleek een botte illusie.

In het begin was het vooral Goethe die van de vriendschap profiteerde. Hij kon het hofleven op een afstand houden en zich weer dichter voelen. Zijn scheppingsdrang vergrootte zich, hij schreef gedichten, zijn Wilhelm Meister – maar daarna kantelde het. Beiden schreven in creatieve wedijver hun verhalende balladen en al gauw moest Goethe in Schiller zijn meerdere erkennen. Over en weer droegen zij ideeën en motieven aan, scherpten zij hun verschillende wereldbeelden die in laatste instantie weer samenvallen. Als schrijver en publieke persoonlijkheden ijverden zij voor de ontwikkeling van het Duitse drama en de kunstbeoefening. Het nieuwe theater in Weimar waar Schiller uiteindelijk ook ging wonen is daar de uitkomst van. Het was vooral Schiller die daar zijn triomfen vierde.

Net als in zijn Schiller oder die Erfindung des Deutschen Idealismus neemt Safranski de tijd om de inhoud van de stukken na te vertellen, te analyseren en in hun artistieke, filosofische en historische context te plaatsen. Dat tilt zijn geschiedenis van deze roemruchte vriendschap boven het anekdotische uit en geeft het de geestelijke weidsheid die zijn protagonisten behoeven. Dat beide boeken elkaar soms dicht naderen en dat enkele passages de lezer bekend in de oren klinken, is wat mij betreft geen enkel bezwaar. Niet alleen is Safranski’s visie te veelzijdig om als herhaling of, erger nog, uitmelking ervaren te worden, het is bovenal een genoegen deze beide grootheden uit de wereldliteratuurgeschiedenis als levende personages opgevoerd te zien – en die voorkennis verhoogt het kijk- en leesplezier.

Met Safranski’s Goethe & Schiller is het Doppel Denkmal in Weimar definitief van karakter veranderd. Bij terugblik blijkt Rietschel er de kiem van gelijkheid in gelegd te hebben. Nu, twee eeuwen na hun vriendschap, is de vraag wie de grootste van de twee is van ondergeschikt belang. Belangrijker is wat zij voor elkaar betekenden en op welke manier.

En wie weet moet een klein mens ook wel aan Annie M.G. Schmidts boek Wiplala denken. Deze kabouter betinkelde mensen en dieren waardoor ze versteenden maar ook, zij het soms en onvoorspelbaar, kon hij ze weer onttinkelen. Dat is precies wat Safranski met succes heeft gedaan: hij heeft Goethe en Schiller in hun vriendschap tot leven gewekt.

Lex ter Braak is directeur van het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst. Hij schrijft daarnaast regelmatig over literatuur en beeldende kunst voor o.a. Vrij Nederland. Lex ter Braak heeft tot 1 januari 2010 carte blanche - hij kiest vrijelijk uit de collectie van Athenaeum Boekhandel titels om over te schrijven.

MINDBOOKSATH : athenaeum