Recensie: ‘Mon Roland! Mon Roland!’

30 november 2015 , door Esther Wils
| | | |

De Meulenhoff-reeks Persona, waarin eerder autobiografische teksten van Buñuel en Van Gogh verschenen, is verrijkt met het Rouwdagboek (Journal de deuil)waarin de Franse intellectueel Roland Barthes het verdriet om zijn overleden moeder trachtte vast te leggen. De hoogstpersoonlijke, zoekende en tegelijk hyperprecieze stijl die Barthes’ schrijven karakteriseert is ook in dit postuum verschenen werk te herkennen. Niet te missen voor wie al van Barthes houdt, perfect als introductie voor wie nog bekeerd moet worden, ook vanwege het instructieve en loepzuivere nawoord van Ger Groot, zegt esther wils.

De aantekeningen, genoteerd op de in vieren geknipte A4-tjes waarvan hij er altijd een voorraadje op nahield, trof samenstelster Nathalie Léger aan in de nalatenschap van Roland Barthes, die ik bij gebrek aan een duidelijker woord maar als intellectueel betitel. Opgeleid als classicus, werkzaam als literatuurwetenschapper, filosoof, socioloog en semioticus maar als schrijver zozeer bezeten van woorden en zodanig in de breedte en diepte gefascineerd door het menselijk lot, dat je hem eerder een literair auteur noemt, was Barthes een eenling die misschien nog het allerbest als essayist getypeerd kan worden. Zijn zoekende, voelende, associatieve en op basis van veelzijdige kennis opererende denken, dat zich het meest thuis voelde in het fragment, is een feest voor de lezer die houdt van het opwindende vonken van inzicht dat ook Barthes’ eigen verslaving aan schrijven verklaart.

De conversatie met zichzelf, die Barthes voert op de kleine papiertjes die zijn bezorgster liefdevol chronologisch geordend heeft, is een voelbare noodzaak in de maanden na zijn moeders overlijden; de schrijver heeft last van anderen, van de afleiding die ze hem opdringen terwijl hij alleen nog enigszins in zijn element kan zijn als hij zich in het gezamenlijk huis terugtrekt, waar de sfeer van moeder hangt, waar de gewoontes die ze samen hadden kunnen worden voortgezet (hij kookt wat zij voor hem maakte) en zijn sociale gezicht niet aan de oppervlakte hoeft te komen. Hij heeft een hekel aan zijn eigen isolatiedrift, had verwacht en gehoopt dat haar overlijden een relativering van zijn Zelf zou oproepen en een grotere gulheid tegenover de rest van de mensen, maar het tegendeel is waar.

Behalve het schrijven, of liever gezegd erin, houdt Proust hem op den duur gezelschap, als de meest acute storm van het verdriet begint te luwen. Zoals Goethes Werther in Barthes’ Fragments d’un discours amoureux zijn voornaamste zielsverwant is en richting geeft aan zijn gedachten, staat Proust, met diens totale verslingerdheid aan zijn moeder, in zijn rouw de schrijver het meest nabij. Proust heeft de liefde voor zijn moeder een tweede leven gegeven in brieven en in À la recherche du temps perdu, Barthes zou ook zoiets willen doen.

En eigenlijk had hij dat al gedaan: in verschillende van zijn eerdere boeken speelt ‘de moeder’ een hoofdrol – zo wordt de moederliefde in Fragments d’un discours amoureux als de ideale oervorm opgevoerd (zonder erotische complicaties, nota bene), en staat in Roland Barthes par Roland Barthes een aandoenlijke foto afgedrukt van de jonge Barthes die, door mama opgetild, zijn lange dunne benen bungelend aan haar zijde, zijn wang tegen de hare klemt, met het bijschrift ‘De behoefte aan liefde’.

De verkenningen in La chambre clair, Barthes’ laatste bij leven verschenen boek, over de werking van fotografie, cirkelen eigenlijk om die ene, niet geplaatste foto: een portret van zijn moeder als klein meisje, in de serre van haar ouderlijk huis. In die foto vindt hij haar wezen terug, met de vreemde en unieke kracht van de actualiteit die aan de fotografie eigen is en die de lezer nooit zou kunnen navoelen. Barthes hoort na haar dood steeds zijn moeders eenvoudige afscheidswoorden naklinken; ‘Mon Roland! Mon Roland!’ schrijft hij herhaaldelijk op zijn snippers. Zo onvoorwaardelijk heeft verder niemand van hem gehouden, zo moeiteloos en hartstochtelijk zal hijzelf nooit meer van iemand houden. Op 25 oktober 1978 noteert Barthes, tussen haakjes, misschien wel de sleutel van deze liefde:

‘[O, de paradox: ik, zo ‘intellectueel’, althans ervan beschuldigd dat te zijn, ik, zo’n dicht weefstel van een onophoudelijke metataal (waarvoor ik sta), zij spreekt soeverein de niet-taal tegen mij.]’

Ger Groot plaatst in zijn nawoord het Rouwdagboek efficiënt in zijn context, zonder een woord te veel, gevoelvol maar onsentimenteel en met een superieure vertrouwdheid; hij kent het werk van Barthes duidelijk als zijn broekzak. De vertaling van Frans de Haan is als altijd bijzonder helder en elegant. Het is wel belangrijk ‘mam.’ niet als het gezellige Hollandse ‘mam’ maar als de afkorting van maman te lezen, dat geeft toch een andere kleur aan het woord en roept voor de arme ziel als ondergetekende, die niet goed genoeg Frans leest voor het origineel, het parfum van Parijs op, woonplaats van Moeder en Zoon zaliger.

Momenteel zijn in het Nederlands naast het Rouwdagboek alleen bij uitgeverij IJzer twee titels, en een bij Historische Uitgeverij, van Barthes verkrijgbaar. Het zou mooi zijn als uitgeverij Boom, die de betreurde filosofische poot van uitgeverij SUN heeft opgeslokt, de mooie Barthes-titels uit dat fonds opnieuw op de markt brengt, of De Arbeiderspers aan het herdrukken slaat. Of zaten er maar vertalingen in de Athenaeum Boekhandel Canon.

Esther Wils studeerde Italiaanse taal- en letterkunde aan de UvA en is redactiesecretaris van algemeen cultureel en literair tijdschrift De Gids.

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum