Recensie: Als Fransen Schopenhauer gaan lezen

30 november 2015 , door Leonhard de Paepe
| | | | | | |

The Aesthetic Unconscious van de nieuwe held aan het firmament van de Franse postmoderne filosofie, Jacques Rancière (1940) heeft oppervlakkig gezien alle bekende ondeugden die de Franse filosofie kenmerkt. Rancière getroost zich weinig moeite om begrijpelijk te schrijven en veronderstelt ruime voorkennis. Ook houdt hij van de bekende omdraaiingen die de Franse filosofie evenveel bewonderaars als haters opleverde. Maar hij herpositioneert Freud en Schopenhauer op een uiterst interessante manier. Door leonhard de paepe.

Hoewel gepokt en gemazeld in de Franse filosofie, is deze studie een bom onder het vacuüm van postmoderne filosofie. Volgens Rancière ligt er ‘onder’ het denken van Sigmund Freud (bekend als psycho-analyse) een ‘regime van denken’ dat hij esthetisch noemt. Interpreterend kun je stellen dat de ‘esthetische revolutie’ het tragische wereldbeeld eeuw na eeuw langzaam verdrong.

De omslag kwam volgens Rancière (theoretisch) pas met Alexander Baumgarten (1714 – 1762) die voor het eerst de term ‘esthetica’ gebruikt. Voor Baumgarten is de esthetica het ‘domein van sensibele kennis’, een heldere, maar toch verwarde kennis. Bij Immanuel Kant (1724 – 1804) gaat dit ‘verwarde’ verloren, en wordt de kunst in het domein van de kennis getrokken. Het klassieke tijdperk van de representatie breekt aan en het vooruitgangsoptimisme tiert welig. De mens is autonoom, de wetenschap doorgrondt de wereld, en op god mag je (slechts) hopen. De wereld is overzichtelijk en de mens veilig in zijn rationaliteit.

Maar dan, in de vroege 20ste eeuw, als het ‘onbehagen in de cultuur’, een twijfel aan de moderniteit en onze veilige afstand tot de barbarij ontstaat, is het Freud die diep in de wortels van de beschaving graaft naar kennis over ons ‘onbewuste’. Sterker nog:

‘Mijn hypothese is dat Freudiaans denken over het onderbewuste alleen mogelijk is op basis van dit regime van denken over kunst en het idee dat denken daar immanent aan is. Oftewel: Freudiaans denken is alleen mogelijk op basis van de revolutie die het domein van de kunst van de poëtica naar de esthetica verschoof.’

Waar de poëtica sprak, en daarmee in de taal aanwezig maakte wat in de ruimte onzichtbaar was, daar laat de kunst, zegt hij, zien wat onzichtbaar is. Volgens Rancière hangt dit samen met twee opvattingen van schrijven. Schrijven is een ontcijferen van de wereld die ‘hiëroglifisch voorbeschreven is’ (iedere deuk, afdrukt, kras etc. is een spoor en vertelt een verhaal. Het is aan de schrijver/denker om die inscripties te ontcijferen). De andere opvatting van schrijven is de Platoonse: schrijven is ‘het stomme spreken’. Het verwijst naar wat iemand wilde zeggen.

Freud, zo laat Rancière zien, kiest ten diepste voor de opvatting van schrijven als secundaire daad, als ontcijfering. Er is dus een afstand tussen de wereld (de dingen) en de schrijver (de kennis). Die wereld ‘spreekt’ uit zichzelf (vlg. Novalis: ‘alles spreekt’), en die afstand is de ruimte waarbinnen de kunst opereert. Daar zoekt Freud bewijzen voor zijn theorie, in de kunst, bijvoorbeeld in Sophokles' tragedie Oedipus Rex (van het gelijknamige complex).

In een serie razendmoeilijke onderscheidingen deconstrueert Rancière de spanning in de kern van Freuds denken. Hij slaat alle concepten van Freud in tweeën en speelt spiegelspelletjes met de scherven.

Maar… Rancière doet dat niet omdat het zo leuk is om alles kapot te denken, hij heeft een doel. Hij meent dat Freuds gehele intellectuele werk slechts mogelijk was door de esthetische revolutie (waarna het mogelijk werd de wereld als wezenlijk voorbeschreven te beschouwen) en plaatst het onbewuste van Freud tegenover het esthetisch onbewuste, het ‘ding an sich’ van Schopenhauer, dat geen materie is, maar een onredelijke kracht: de wil. Rancière toont aan dat Freud zich altijd heeft verzet tegen Schopenhauer. En inderdaad, wie Freuds werken heeft gelezen is het wellicht opgevallen dat deze — hoewel hij Schopenhauer nooit thematiseert — soms zinnetjes heeft als ‘maar nu dreigen wij de donkere havens van Schopenhauer binnen te varen’, om vervolgens met een slimme truc de dreiging af te wenden. Dat doet Freud volgens Rancière in al zijn beschouwingen van kunst. Feitelijk ‘corrigeerde’ hij menig werk van Ibsen, Jensen, Hoffman tegen de bedoeling van de kunstenaar in. Zij lieten de tragische dimensie van hun werk namelijk intact en Freud blijft hun werk consequent als triomf van de ratio analyseren. Toch beweegt zijn denken langzaam maar zeker naar Schopenhauer, tot aan zijn ‘ontdekking’ van de doodsdrift, toe.

‘De ontdekking van de doodsdrift is een episode in Freuds lange en vaak [door Freud] verhulde confrontatie met het onbewuste van het Schopenhaueriaanse ding-op-zich […]. Het ultieme geheim van deze traditie van de roman over de illusie van de wil, de literatuur van het esthetische tijdperk, is dat wat het levensbehoudende instinct uiteindelijk bewaart, de beweging naar “zijn” dood is. En dat de bewakers van het leven dus feitelijk de poortwachters van de dood zijn. Freud is nooit opgehouden dit geheim te bevechten.’

Dat is de grote winst van dit boek. Rancière laat zien dat Freud ten diepste (ondanks de eeuwige kritiek uit de hoek van verlichtingsdenkers altijd de verlichting heeft verdedigd tegenover de moerassige duisternis van Schopenhauer. Freud ging gewoon verder dan verlichtingsdenkers ooit durfden te gaan.

Díe bom ontploft. Een Franse filosoof ging Schopenhauer lezen en ontdekte Freud. Geen postmoderne filosoof heeft dat ooit gedaan omdat zij ofwel strikt materialistisch bleven ofwel dachten, met Nietzsche, ‘het pessimisme’ voorbij te zijn. Nu een postmoderne filosoof deze brug geslagen heeft, is de doos van Pandora wellicht geopend voor de Franse filosofie. The Aesthetic Unconscious is een klein boekje met een hippe vormgeving, een technische uiteenzetting, maar voor liefhebbers een explosie voor de geest.

Leonhard de Paepe studeerde aan de kunstacademie en is filosoof. Hij schrijft voor NRC Handelsblad.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum