Recensie: De banaliteit van het goede

30 november 2011 , door Leonhard de Paepe
| | |

‘Oorlog is de voortzetting van politiek met andere middelen,’ schreef Von Clausewitz. Het omgekeerde lijkt te gelden in Hans Fallada’s Alleen in Berlijn (Jeder stirbt für sich allein, in de vertaling van A.T. Mooij, herzien door A. Habers). De oorlog lijkt ver in het Berlijn van de Tweede Wereldoorlog, het lijkt vrede, het lijkt politiek: de gemeenschap erodeert, overlevingsstrijd ligt direct onder de oppervlakte van de sociale omgang. Hannah Arendt beschreef in The Origins of Totalitarianism (1958), hoe het fascisme mensen monddood maakt en isoleert. Voor wie zich daar niets bij voor kan stellen is Fallada’s meesterwerk de perfecte illustratie. Door leonhard de paepe.

Berlijn Jablonskistraat

Het Berlijn van Fallada (pseudoniem voor Rudolf Ditzen) is hard en illusieloos. Mensen wantrouwen elkaar, de pers, en zelfs hun eigen familie. Vanaf de eerste scene volgen we de gewone Duitser, die zich staande houdt in een paranoïde stadsjungle waarin iedere sociale interactie overgedetermineerd is door de onberekenbare ideologie van het fascisme. Fallada zoemt in op de bewoners van een flat aan de Jablonskistraat. Qua stijl doet Alleen in Berlijn denken aan Berlijn Alexanderplatz, de klassieker van Alfred Döblin die de aanloop naar de oorlog beschrijft. Net als Döblin is de roman in razende vaart geschreven, vol perspectiefwisselingen, doorspekt met plat Berlijns en de harde mentaliteit van de onderklasse.

We ontmoeten het weinig tot de verbeelding sprekende arbeidersechtpaar Otto en Anna Quangel, de zestienjarige Baldur Persicke, een trotse leider van de Hitlerjügend die zijn buren intimideert en besteelt, beschermd door de unieke machtspositie die het fascisme hem biedt. De rijke jodin Rosenthal, wier man al in een kamp zit, en de gepensioneerde rechter Fromm staan machteloos. Elders in de stad, in Friedrichshain, woont de door het leven geslagen postbezorgster Eva Kluge, die dagelijks de ondankbare taak uitvoert de overlijdensberichten van gevallen frontsoldaten te bezorgen.

Haar kritisch vermogen beperkt zich tot de banale opvatting dat moeders geen zonen baren om als kanonnenvoer te dienen. Eva’s leven is al lang voor de oorlog volkomen verwoest door de meest weerzinwekkende figuur in de Duitse letteren: Enno Kluge. Deze aartsluie leugenaar, rokkenjager, inbreker, paardengokker is zo weerzinwekkend dat hij zelfs in zijn ongeluk geen medelijden opwekt. Uit een pervers soort van lust houdt hij zijn vrouw, die hij bedriegt en besteelt, een foto van hun zoon voor die God-weet-waar in de wereld jodenkinderen tegen de bumpers van auto’s doodslaat.

Het fatsoen van de plichtsgetrouwen

Fallada, schrijft verraderlijk fris, waardoor in het begin de roman niet al te grimmig lijkt, maar Fallada bespaart zijn personages niets. Het klinkt allemaal zo onschuldig nuchter als hij op de tweede pagina Eva Kluge volgt tijdens haar postronde: ‘De bezorgster trekt zachtjes de deur in het slot en daalt verder de trappen af. Ondertussen bedenkt ze dat het eigenlijk een goed bericht is, want door de snelle overwinning op Frankrijk zal het eerder vrede zijn. Dan komen haar beide jongens terug.’

Maar de keiharde realiteit wordt ondraaglijk door Enno en zijn kwelgeest Borkhauser. Zij maken Alleen in Berlijn tot een verstikkende strop die zich langzaam maar onverbiddelijk om de hals van de lezer sluit evenals om die van hoofdpersonen Otto en Anna Quangel. De plichtsgetrouwe Quangels beginnen hun hopeloze strijd tegen de staat als zij hun zoon verliezen. Hun aandoenlijke verzet – ze schrijven kaarten, vol spelfouten, tegen het regime – is vanaf het begin even ineffectief als levensgevaarlijk (vrijwel alle kaarten worden onmiddellijk door de vinders naar de Gestapo gebracht).

Toch behouden zij in hun verzet een bepaalde menselijkheid die misschien wel belangrijker is dan het effect. Hier en daar gunt Fallada hen zelfs een zekere intimiteit die hun huwelijk voorheen niet kende. Maar de noodlottige afloop blijft vaststaan.

Fallada gunt alleen de illusieloze vrek Otto Quangel tot het einde toe zijn geloof in zijn zaak. Het woord dat hij in de Duitse tekst gebruik is ‘änstandig’, wat lijkt op het Nederlandse ‘fatsoenlijk’. Wat de beide oudjes in weerwil van de gehele wereld bewaren, is hun fatsoen. ‘Een fatsoenlijk mens (te) blijven, dat hebben we dan in elk geval in dit leven bereikt,’ laat Fallada hen in het begin van zijn roman zeggen, en ook later is deze overtuiging onwrikbaar als Otto Gestapo-rechercheur Escherich verzekert: ‘U werkt voor een moordenaar en u levert hem steeds nieuwe slachtoffers. U doet het voor geld, misschien gelooft u niet eens in die man. Nee, u gelooft beslist niet in hem…’

De strijd van een Duitser

Alleen in Berlijn is in 1947 in slechts 48 dagen geschreven. Na een tijdje voel je de strijd die Fallada, wiens complexe verhouding tot het fascisme door Geoff Wilkes in een uitstekend nawoord wordt beschreven, met zichzelf voerde na de oorlog. Misschien is deze roman te lezen als een biecht. In een brief aan een vriend schreef Fallada, die het verhaal van dit verzet uit een politierapport leerde kennen: ‘Ooit heeft dit paar, Otto en Anna Quangel, geleefd. Ik, de auteur van een roman die nog geschreven moet worden, hoop dat hun strijd, hun lijden, hun dood niet helemaal voor niets zijn geweest.’

Zoals de crisis in het kapitalisme vandaag het ressentiment in iedereen aanraakt, zo maakte de financiële crisis van de jaren 30 en de gewenning aan honger de Duitser mentaal klaar voor wat zou komen – Sebastian Haffner beschreef het in Het verhaal van een Duitser. En zoals Edgar Hilsenrath al liet zien in De nazi en de kapper, bood het fascisme verbitterde Duitsers een kans om hun mislukte levens te rationaliseren. Dronkenlappen, aan lager wal geraakte gokkers, leugenaars en dubieuze ondernemers sluiten zich aan bij ‘de partij’; hetzelfde type dat in heel Europa opnieuw massaal zijn hoop op populistische politici vestigt. En daarmee kent het boek ook voor de hedendaagse lezer een zekere herkenning. Fallada beschrijft exact de figuur van de verzetsheld uit Hannah Arendts studie, en dit meesterwerk is dan ook te lezen als het literaire antwoord erop: een eerbetoon aan de banaliteit van het goede.

Leonhard de Paepe studeerde aan de kunstacademie en is filosoof. Hij schrijft voor NRC Handelsblad en is docent Esthetica aan de de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag (KABK).

MINDBOOKSATH : athenaeum