Recensie: De stempel van de vertaler

30 november 2015 , door Karlijn de Winter
| | | | |

In recensies van buitenlandse literatuur blijft de vertaling vaak onbesproken. Daardoor lijkt de bijdrage van de vertaler maar van minimaal belang. Uit het nieuwste nummer (jaargang 17, nummer 2) van het vertaaltijdschrift Filter blijkt echter dat veel vertalers in werkelijkheid juist een grote invloed uitoefenen. Willem G. Weststeijn maakt in een ingezonden brief een onderscheid tussen ‘vertalingen waarin de vertaler zijn nek uitsteekt en zichzelf laat gelden’ en ‘vertalingen die een zo getrouw mogelijke replica van de brontekst geven en waarin de vertaler zich niet op de voorgrond dringt’. Is dat onderscheid wel houdbaar? Die vraag staat centraal in dit nummer van Filter. Door karlijn de winter.

Het bovenstaande citaat suggereert dat zo’n vertaler die zich niet op de voorgrond dringt, vanuit een heel passieve, gedienstige opstelling werkt. Dat riekt naar een pretentieloze, onopvallende vertaling waar voor een buitenstaander, een recensent bijvoorbeeld, weinig over te zeggen valt. Maar de artikelen in Filter laten zien dat dit veel ingewikkelder ligt, en Weststeijn onderstreept dat zelf overigens ook.

Illustratief is ‘Chineesjes of negertjes?’, waarin Henri Bloemen en Winibert Segers twee vertalingen van Françoise Sagans Bonjour Tristesse vergelijken. De oudste vertaling, van Hubert Lampo, volgt heel getrouw de brontekst, maar is voor een Nederlander op sommige punten onbegrijpelijk. ‘Arme kleine Chineesjes’ roept in een Franse context allerlei associaties op, maar bij ons niet. Marianne Gossije heeft dit in haar nieuwe vertaling uit 2009 vervangen door ‘arme kleine negertjes’, waar een Nederlandse lezer een stuk beter mee uit de voeten kan. De auteurs merken op dat punten zoals deze, ‘waar de tekst van Lampo opviel, waar die het lezen deed stokken, […] in de nieuwe vertaling niet meer op[vallen]’. En dat terwijl Gossije juist rigoureuzer te werk is gegaan dan Lampo, zichzelf meer als vertaler heeft doen gelden. Andersom levert Jaap van Vredendaal in zijn bijdrage kritiek op een recente Tolkien-vertaling (De legende van Sigurd en Gudrún), juist omdat die op een aantal punten te letterlijk en daardoor onleesbaar is.

Welke vrijheden je je als vertaler mag (of moet) permitteren, hangt ook af van de mode. De uitstapjes die Filter naar het verleden maakt, werpen hier een heel verrassend licht op. Prachtig is vooral het artikel van Corinna Vermeulen over de eerste vertaling van Descartes’ Discours de la methode, dat de zeventiende-eeuwse filosoof oorspronkelijk in het Frans schreef en al snel daarna in het Latijn werd vertaald. Wie deze vertaling voor z’n rekening nam is tot op de dag van vandaag onbekend – het was destijds heel gebruikelijk dat zijn naam niet werd vermeld. Tegelijk heeft deze anonieme persoon de tekst wel op tal van punten bijgeschaafd of aangedikt:

‘Descartes’ kennis, wie het ook was, maakte uitbundig gebruik van het stilistisch instrumentarium dat hem ter beschikking stond om de tekst voor het nieuwe publiek begrijpelijk en aangenaam te maken. Sommige van deze instrumenten worden nog altijd door vertalers gehanteerd; van andere is het gebruik nu onvoorstelbaar.’

Vermeulen heeft er zichtbaar plezier in enkele voorbeelden met ons te delen. Zo wordt ‘vn homme de lettres dans son cabinet’ (‘een intellectueel in zijn studeerkamer’) in de Latijnse vertaling ‘doctor aliquis otiosus in Musaeo senes’ (‘een geleerde die niet hoeft te werken en in zijn studeerkamer zit’).

Zulke retorische verfraaiingen zijn voor een vertaler anno 2010 absoluut ongeoorloofd. Dat lijkt althans Arie Pos te stellen, wanneer hij probeert uit te leggen waarom hij zich zo ergert aan een recente Engelse vertaling van het veertiende-eeuwse Egidius-gedicht. Het ‘thou’ en ‘thee’ dat de vertaler hanteert, past volgens hem geheel niet bij de ingetogen Nederlandse brontekst: ‘In mijn tekstbeleving zit kennelijk een soort Trots-op-Nederlandsgevoel dat door de vertaling gekrenkt wordt. […] Blijf met je thou-tengels van mijn Egidius af!’ De vertaler heeft de tekst dus al te veel verengelst en het Nederlandse karakter in de verdrukking gebracht.

De ideale vertaler, zo lijken Pos en ook andere auteurs uit dit nummer te suggereren, werpt zich op als een echte bemiddelaar tussen twee culturen. Een vertaler is niet alleen een bemiddelaar omdat hij bekendheid geeft aan een buitenlandse literatuur (zo laat Jeroen Dera zien dat de Nieuwgriekse dichter K.P. Kavafis zijn bekendheid in Nederland vooral te danken heeft aan een bepaalde vertaler), maar ook omdat hij in zijn vertaling rekening houdt met twee culturele referentiekaders. Désirée Schyns hoort studenten nog regelmatig zeggen: ‘dat heb ik gewoon letterlijk vertaald’. Letterlijk vertalen, woorden omzetten, dat kan je ook met Google Translate. Maar daar krijg je geen vertaling van die de beoogde doelgroep goed kan plaatsen: ‘Iedere vertaling is eerst en vooral een culturele vertaling […]. De verschuiving naar een andere taal impliceert steeds de verschuiving van culturen, domeinen, universums.’

Dit nummer van Filter staat vol verhalen uit de praktijk van het vertalen, van vroeger en nu. Het geeft een gevarieerd beeld van de keuzes die vertalers maken, de motivaties die daar een rol bij spelen en de vrijheden die ze zich veroorloven. Langzaam wordt duidelijk dat vertalers die hun nek uitsteken, dat idealiter doen om een zo goed mogelijke bemiddelaar tussen twee culturen te zijn. Ze zijn niet alleen trouw aan de brontekst, maar leveren een vertaling af die ook de buitenlandse lezer goed kan interpreteren. Zo’n vertaling stokt niet, er springen geen ongeregeldheden uit, en recensenten gaan er stilzwijgend aan voorbij.

Karlijn de Winter studeerde communicatie- en informatiewetenschappen aan de VU te Amsterdam en Italiaanse taal en cultuur aan de Universiteit Utrecht. Op dit moment werkt ze als freelance tekstschrijver. Daarnaast is ze redactielid van Recensieweb.nl.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum