Recensie: Dit is geen recensie. Tsjip. De Leeuwentemmer anno 2010

30 november 2015 , door Daan Stoffelsen
| | | | |

Hoe zou Willem Elsschots Tsjip. De leeuwentemmer anno 2010 besproken worden? Ongetwijfeld zouden alle gedrukte media gelijktijdig, liefst in hetzelfde weekend, paginagrote recensies plaatsen, die in zouden gaan op het oeuvre (Kaas was nog maar net verschenen) en, met een beetje geluk, de etniciteit (‘De Belgen zijn beter’) van de auteur. Een enkeling zou wat minder positief zijn, niemand van de heren en dames critici zou op elkaars analyses en oordelen reageren. Ongetwijfeld zou de dubbelroman over de familiegeschiedenis ook online besproken worden, op alle sites, verspreid over de tijd. De jongens en meisjes webrecensenten zouden hooguit wat minder over Elsschots oeuvre schrijven, en misschien wat meer over de mate waarin men zich met Laarmans identificeerde. Een enkeling zou rebels zijn, niemand zou in discussie gaan.
De duizendste ‘recensie’ op Recensieweb.nl, vandaag doorgeplaatst op Athenaeum.nl, wil oproepen tot meer samenwerking tussen die sites, meer experiment en discussie en meer gebruik van de mogelijkheden van internet. Door daan stoffelsen.

Vijf jaar lang volledig en degelijk

In de loop der jaren heeft Recensieweb zijn critici gehad, en een van de terugkerende kritiekpunten is het weinig vernieuwende karakter van de vorm van onze besprekingen. Recensieweb is zelfs verweten te doen alsof het avant-garde is (met ‘nieuwe literatuur, nieuwe gidsen’) en niettemin niet allemaal piepjong te zijn. Daarvoor is zowel een positieve als een negatieve reden aan te wijzen. De positieve is dat we denken goed te zijn in deze traditionele besprekingen, met een kop en een staart, aandacht voor boek én taal en met een sluitende argumentatie, en dat we denken dat literaire kritiek in de basis zo hoort te zijn: geïnformeerde, informerende, argumenterende en beargumenteerde recensies.

De negatieve reden is niet vanuit eigen kracht geformuleerd. We wilden laten zien ‘dat wij het ook kunnen’, dat wij niet minder zijn dan de grote mensen die in kranten schrijven. Het is dezelfde reden waarom we ook de boeken bespreken die iedereen bespreekt: een lezer/bezoeker moet kunnen vergelijken om te beoordelen of hij wat aan ons heeft. Ik geloof dat hij ook daadwerkelijk wat aan ons heeft, niet alleen omdat we ook andere boeken dan de usual suspects bespreken, maar ook omdat nog steeds heel veel gedrukte media hun recensies niet online publiceren. De toegankelijkheid van sites als Recensieweb is een voordeel dat niet over het hoofd is te zien.

Maar na 999 recensies en vijf jaar lezen en schrijven mag je toch wel ervan uitgaan dat er genoeg vergelijkingsmateriaal is. Misschien moet het daarom anders.

Tsjip verscheen in 1933, en werd kort na Kaas geschreven, De leeuwentemmer in 1939. Anders dan in bijvoorbeeld datzelfde Kaas keert Elsschots blik naar binnen: de gang van zaken in de hoogst persoonlijke ‘firma’ van Laarmans, zijn gezin, waar sinds enige tijd een vreemde jongeman komt, Bennek, een Pool die studeert met zijn dochter Adele. Hun liefdesgeschiedenis, de geboorte van hun zoon Jan, en de ontmoeting tussen Laarmans en zijn kleinzoon vormt Tsjip; de scheiding tussen Adele en de Pool, vanaf dat moment ‘de Eenzame’, diens kidnap van zijn kind, en de redding door Adele, staan centraal in De leeuwentemmer. Het zijn intieme, geestige en af en toe uiterst spannende boeken, waarin de hoofdrol die Laarmans zich ooit toekende al snel door zijn kleinzoon en dochter wordt ingenomen.

Herkenning boven stijl?

Een van de observaties die Tom de Boer deed tijdens zijn scriptie (verwerkt tot dit artikel in De Groene Amsterdammer), was dat recensenten op Recensieweb veel meer dan die in NRC Handelsblad ‘persoonlijk’ recenseren: ‘De recensenten van Recensieweb nemen in hun besprekingen minder afstand van het boek, laten zich meer leiden door het gevoel dat het werk bij hen heeft opgeroepen.’ Ik herken dat, al is het verre van universeel, en misschien heeft het met generatieverschillen te maken (al citeert De Boer juist een van onze rijpere recensenten), misschien met de veel persoonlijker aard van uitingen op internet.

De NRC-critici zouden afstandelijker recenseren, met minder nadruk op emotie, en meer op stijl. Uit eigen ervaring – ik heb nu voor beide media geschreven – kan ik een derde verklaring opperen voor dat verschil. In mijn bijdragen voor de krant ben ik me zo bewust van de beperkte ruimte om een boek te introduceren dat wellicht nergens anders besproken zal worden, dat ik me concentreer op formele kenmerken als thematiek, plot en stijl. In mijn stukken op deze site weet ik mij een van velen die hetzelfde boek bespreken. Als ik probeer te onderzoeken, in een stuk over Jaap Scholtens De wet van Spengler, in hoeverre een tekst sentiment opwekt of sentimenteel is, dan kan ik daarop ingaan, omdat elders vast en zeker een meer analytisch georiënteerd relaas zal staan. Als ik de vrijheid neem om Ilja Leonard Pfeijffers Het ware leven. Een roman eens op een andere, meliger manier te bespreken, dan mag ik vermoeden ik dat het boek elders wel op traditionele wijze zal worden bekritiseerd.

Daar komt bij, en dan laat ik de oude koeien hierna met rust, dat het beschrijven en beoordelen van stijl mijns inziens minder noodzakelijk is naarmate je meer kunt citeren.

Dit ter verklaring. Kunnen we wat als zwakte gekenmerkt werd, als kracht inzetten? Dat denk ik wel. Buiten de traditioneel-journalistieke verwachtingspatronen van de kranten kunnen persoonlijke lezingen bloeien. Daar is niets mis mee, zo lang die lezing tot nader onderzoek aanzet. En zonder de strakke woordaantallen van gedrukte media is ruim citeren mogelijk en wenselijk: het maakt de lezer van de recensie al meer tot lezer van het boek. Maar zonder duiding en verklaring – waarom dit fragment, wat maakt deze stijl, dit moment in het verhaal zo bijzonder – is een citaat nutteloos. Invoelen mag, citeren graag, maar nooit zonder analyse.

Ik heb Tsjip. De leeuwentemmer voor het eerst gelezen tijdens mijn middelbare schooltijd, als bulkboek. Mijn herinneringen eraan zijn levendig: de uitgesponnen, emotionele scène waarin Laarmans zijn kleinzoon eindelijk in de armen neemt, en het avontuur waarin diezelfde Laarmans de Leeuwentemmer terugrooft van de Pool, bepalen mijn indruk van de dubbelroman. Die herinneringen waren ook onjuist. In werkelijkheid was het Adele zelf die een einde maakt aan de gijzeling van haar zoon door hem terug naar België te ontvoeren, en in werkelijkheid was de scène tussen Laarmans en Jan slechts een paar alinea’s aan het slot van de geschiedenis:

‘Zoo staan wij dan tegenover elkander. Hij heeft oogjes en een neus als een doodgewoon kind, maar ik weet wel beter. Hij kijkt mij rustig aan, steekt aarzelend zijn handjes uit en komt op mijn arm te zitten.
- “Neem een doek,” zegt mijn vrouw, maar wij zijn reeds op weg.
Wij wandelen den tuin door, hij zonder te huilen, ik zonder spraak. Op Walter’s veld wordt hij door onze musschen begroet. Ik blijf staan en zeg “Tsjip”. En in zijn mondhoeken ontluikt een glimlach.
Ja jongen, voortaan heet jij Tsjip. Je komt mij hier ontzetten uit mijn hoofdrol en dan mag ik je wel herdoopen, vind ik.
Ik ga met hem rond en toon hem al dat moois: de zonnebloemen, de boomen, de erwten en de aalbessen. Zelfs de aardappelen worden niet vergeten. Zijn linker handje ligt in mijn hals en met het andere pakt hij naar het groen, naar de bloemen en naar mijn neus.
Als hij hem eindelijk beet heeft is ons verbond gesloten. Tsjip en ik zijn gezworen kameraden. Samen zullen wij door dik en dun gaan, ik voorop.’

Ontroerend, vind ik, maar waarom? De ontmoeting tussen een grootvader en zijn eerste kleinzoon nodigt uit tot emotie, dat is al één. En twee, Elsschot verfraait noch vergroot, hij beschrijft de handeling sec. Daar komt dan de prachtige vondst van de naamgeving, de ironische lading van de hoofdrolwissel (Laarmans had al nooit de hoofdrol, vakkundig weggespeeld als hij werd door echtgenote en dochter) en de aardse en toch weinig reguliere omgeving, voor een troonoverdracht althans, van de moestuin. Dat mengsel van een net -niet gewone situatie, subtiele ironie en een precies, sober taalgebruik, dat maakt Elsschot zo sterk.

Dat is misschien nog zichtbaarder in de brieven aan zoon Walter waarin Laarmans vertelt over Adeles reddingsactie. Laarmans had geen enkele rol in de ontvoering, en ook dit verhaal vertelt Elsschot uiterst economisch. Hij vat een brief van Adele samen over de voorbereidselen, laat de stilte van een hoofdstukscheiding vallen en komt met verlossende woorden.

‘... en dan tusschen negen en tien, of nooit. De kans is klein, zegt zij, en toch hindert haar reeds de gedachte aan de oude vrouw die, als zij slaagt, haren kleinzoon bij hare thuiskomst tevergeefs zal zoeken, die roepen zal zonder antwoord te krijgen, radeloos van angst haren zoon zal opbellen, de heiligen van den wand zal bidden en bovendien de huur van dat rijtuig zal moeten betalen. Zij vindt het beulenwerk, maar paling stroopen vindt zij nog erger en dat heeft zij meer dan eens moeten doen.

De volgende dag was de eerste zonder brief van haar. Wij hebben in spanning van uur tot uur gewacht, doch er kwam niets binnen. Maar even voor middernacht, toen wij nog steeds gedempt over haar praatten, werd er gebeld. En ik stond voor een boodschappertje dat amechtig deed, zijn sjako afnam en mij een telegram in de hand stopte. Fooi gegeven en het ding opengemaakt. Het kwam uit een onbekend gat uit Duitschland en luidde eenvoudig “arriveeren morgen avond negen uur”.’

Wat ik mij beeldend had herinnerd, de ontvoering zelf, wordt niet beschreven. In plaats daarvan vergroot Elsschot de spanning door over iets volkomen anders te schrijven, die arme gijzelnemer-grootmoeder, en paradoxaal genoeg verkleint hij de spanning niet door te grappen over rijtuigen en paling. Ook de terugkomst beschrijft hij uiterst beknopt, waarbij dat boodschappertje het ongeduld van de lezer vergroot en Elsschot korte metten maakt: hij geeft de fooi zonder persoonsvorm en laat het telegram eenvoudig, geweldig, kort.

Een boek staat niet alleen: linken, maar met mate

Persoonlijke lezingen en stijlanalyse hoeven elkaar niet in de weg te zitten, en citeren kan nooit kwaad. (Veel citeren kan wel de argumentatieve functie van een recensie overwoekeren, zie ook Achille van den Brandens zelfkritiek.) Het hoeft ook niet altijd, omdat – en hier geldt hetzelfde als voor andere vrijheden die de webrecensent kan nemen, het elders al gedaan wordt. Voordat Athenaeum Boekhandel voorpublicaties op zijn site bracht, publiceerden uitgeverijen Atlas, Augustus en Veen, en uitgeverij De Arbeiderspers al uitgebreide fragmenten uit romans (bijvoorbeeld de nieuwe roman van Adriaan van Dis, Tikkop of het debuut van Arno Haijtema, De vadermoordenaar).

En in Nederland gebeurt het nog weinig, maar als auteurs hier vaker vooraf gaan voorlezen, zoals de Amerikaanse schrijver Paul Auster deed met zijn dit najaar verschijnende roman Sunset Park, dan is dat het linken waard: het is informatie die toevoegt en niet afleidt van het betoog van de recensent.

Maar Jos Joosten stelt in zijn kritiek op de webkritiek, onlangs in Trouw: ‘... de mogelijkheden van het web zijn oneindig groter dan die van dag- of weekblad. Een recensie kan links krijgen naar vergelijkbaar werk, muziek, films of klassieke teksten die een besproken auteur gebruikt, interviews met de schrijver et cetera’.

Joosten wil een stap verder gaan, hij suggereert dat webrecensies meer recht kunnen doen aan de context van boeken door te linken naar die context. Het wordt ook al wel af en toe gedaan: het linken naar muziek bijvoorbeeld door het onlangs opgerichte Booktunes, waarbij een interview met Christine Otten wordt verbonden aan een soundtrack bij haar boek. Het zou vast ook werken voor Anna Enquist, Contrapunt, en Elmer Schönberger, Vuursteens vleugels.

Er tekenen zich twee vragen af bij Joostens voorstel. Eén: is elk boek hiervoor geschikt? Twee: is de recensie hiervoor geschikt? De twee antwoorden vullen elkaar aan. Het kan zeer verhelderend werken om bij een boek waarin muziek of film of een andere tekst dominant is, in de recensie daarnaar te verwijzen, maar als dat niet zo is, dan zijn hyperlinks al snel storend. En hoe essentieel context vaak ook is voor een boek, een recensie gaat in eerste instantie over het boek zelf, niet over de context. Zoals een boek primair zónder voorkennis gelezen moet kunnen worden, zo moet een recensie ook een zekere mate van autonomie vertonen. Zonder inmenging van andere stemmen, zelfs die van de auteur zelf.Dat geldt zelfs als de context door hem wordt gevormd: ook een interview leidt af van een boek en van de bespreking.

In het dagelijks verkeer voegt Elsschot meer specifieke objecten toe dan de paling, met name in De leeuwentemmer, waar stoomwalsen, treinen en de hand van (Laarmans’) Vader met elkaar strijden, waar het zakmes, de monocle en het liniaal voorname bijrollen spelen. Voornaam, omdat Elsschot ze inzet om niet uitgebreid in te hoeven gaan op Laarmans’ emoties: die stoomwalsen staan immers voor de prachtige verwondering van het kind, het zakmes voor het bondgenootschap, en de monocle en het liniaal staan voor de door Adele verafschuwde ambities van haar Pool en de strenge opvoeding van zijn zoon.

Maar bijrollen hebben ze, subtiel en effectief, in dit spel van grimmige gezinsleden. Het zijn motieven die Elsschot inzet om de sentimentele geschiedenis niet sentimenteel te maken. Dat geldt ook voor Adeles muzikale geestdrift in Tsjip, die volkomen teniet gedaan is, als de verloving met haar Pool niet lijkt door te kunnen gaan:

‘Verleden week had ik twee vrienden op bezoek en toen heb ik aangedrongen tot ik mijn zin kreeg, want zij kan mij niets weigeren. Zij heeft meer dan een uur Schubert gespeeld en ik commandeerde telkens van uit mijn stoel welk lied op het laatst gespeelde volgen moest. Zoo zong zij ons dan, zichzelf begeleidend, Nacht und Träume, An die Musik, Du bist die Ruh, Erster Verlust, Allerseelen, Wiegenlied, Frühlingsglauben, Der Einsame en veel andere liederen voor, tot ik eindelijk Der Jüngling am Bache bestelde. En zij begon “An der Welle sasz ein Knabe”. Een paar deiningen later klonk het treurig “und so fliessen meine Tage” en daarop vielen zang en piano plotseling stil. Na even gewacht te hebben, want met de radio gebeurt dat ook, keerde ik mij om en keek haar aan. Zij zat stijf, als doodgebliksemd, hare armen opengespreid, de rechter hand op de sopraantoetsen, de linker op de bassen, dáár waar zij ‘t laatste akkoord had aangeslagen. Eindelijk hoorde ik een geluid als van een orgelpijp dat haar uit de keel scheen te komen. En plotseling stond zij op en vluchtte het salon uit.’

Een ander voorbeeld is haar, en later Jans bekering tot het katholicisme. Hoe Laarmans Adele introduceert in dat geloof, is werkelijk hilarisch, evenals de vaststelling dat Adeles associatie tussen Maria’s onbevlekte ontvangenis en Leda en de zwaan verontwaardiging opwekte bij de redactieraad van Forum, waar het destijds voorgepubliceerd werd (en waaruit het inmiddels is gedigitaliseerd voor de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse letteren).

Een andere structuur voor kritiek?

Een punt dat critici als De Boer, Joosten en Stevens (die ons amateurisme verweet) niet aansnijden is dat van de structuur van online teksten. Dat zal te maken hebben met een focus op gedrukte media en traditionele journalistiek, maar sinds het ontstaan van internet wordt er betoogd dat mensen niet graag van schermen lezen, en zeker geen lange teksten. Dat betoog heeft vooralsnog geleid tot mijns inziens onleesbare artikelen waarbij elke zin tot alinea wordt gebombardeerd.

Alsof mensen bij iets meer zwart tussen het wit bezwijken aan pessimisme.

Het mag voor zich spreken dat ik – daar ik ook de redactionele verantwoordelijkheid voor Athenaeum.nl draag, waar voorpublicaties tot wel tien boekpagina’s op verschijnen – een andere mening ben toegedaan. (Tekst moet zwemmen, en printen mag altijd, toch?) Recensies zoals die van 1100 tekens (de zogenaamde ‘aanschafinformatie’-teksten van NBD/Biblion, zoals je die ook bij bol.com tegenkomt) of het ter ziele gegane gwrrf.nl, waar honderdvijftig woorden het maximum waren, lijken me boek, lezer en medium te kort te doen.

Overigens is ook dat een mogelijkheid die internet biedt: beknoptheid mag. En al hebben we daar bij Recensieweb om bovenstaande reden niet voor gekozen, de vraag is wel of je niet moet uitkijken met alinea’s van zo’n lengte (ter vergelijking: het citaat waarin Laarmans zijn kleinzoon ontmoet, omvat 188 woorden en, inclusief leestekens en spaties, 1009 tekens).

Een andere vraag is of we niet meer moeten experimenteren met tussenkopjes en zelfs lijstjes – een vorm waar Arjen van Veelen, die momenteel een serie recensies voor Athenaeum.nl schrijft, mij de ogen voor heeft geopend. Die experimenten zouden dan komen bij de ongeschreven regel dat witregels leesbaarder maken en bij de intuïtie dat de eerste alinea essentieel is: de inleidingen zijn maar al te vaak het eerste en enige wat een lezer ziet voor hij doorklikt. Structuur telt.

De revolutie, de brief en de kidnapper

Maar wat doet Elsschot nu, tussen al de motieven door, voorbereidend op die twee kortstondige climaxen? Hij perfectioneert de kunst van het afwachten. Laarmans heeft in Tsjip nimmer de hoofdrol, ik merkte het al op: hij reageert, en meestal nogal lafjes, hij wijst zijn dochters vrijer niet op het fatsoen en hij accepteert het huwelijksaanzoek niet direct. Eerst vrouw en dochter vragen. Er is één belangrijke uitzondering, en dat is als hij een bulderende brief van Benneks vader, die hen te min acht voor een verbintenis met zijn zoon, met een woedende, in het Nederlandse gestelde brief beantwoordt:

‘Hoe mijn dochter er toe gekomen is zich door uwen Weledelen Zeer Geachten Zoon te laten bepraten, begrijp ik niet. Was het nog een Mof of een Rus, maar een Pool.
[...]
Blind van woede vlieg ik de straat op en smijt mijn brief in een bus. Ziezoo. Dat is afgedaan. Hiermede zijn de betrekkingen tusschen Polen en België afgebroken. ‘t Is beter zóó want nu is aan een valschen toestand een einde gemaakt en de Poolsche gezant was tóch al bezig zijn koffers te pakken.’

Het zijn passages als deze die aanleiding geven tot een politieke lezing, zoals Matthijs de Ridder dat heeft gedaan in Aan Borms. Willem Elsschot, een politiek schrijver. Dat Elsschot in De leeuwentemmer zijn gezin niet als een firma maar als een rebels schip kwalificeert, versterkt die these natuurlijk wel, maar ja, is een beeld niet soms gewoon een beeld? En als we dan toch over beelden en thema’s beginnen, hier zou ik nog wel eens scripties, proefschriften en themasites over willen zien:

  1. De brief in Elsschots oeuvre. Is de briefwisseling tussen de beide vaders al onderwerp van grote spanning, en het veel informeler en effectiever briefcontact tussen Adele en Bennek ook, in Tsjip práát men gewoon. In De leeuwentemmer schept de fysieke afstand tussen Adele en haar moederschip enerzijds en Laarmans en oudste zoon Walter anderzijds, de noodzaak tot brieven. Elsschot buit dat uitstekend uit. Waar Laarmans in Tsjip als verteller de dialogen direct becommentarieerde, zijn hier commentaar en directe rede noodzakelijk. Dat zorgt voor snelheid, humor en spanning.
  2. Gemengde huwelijken en ontvoerde kinderen. ‘Eigentijds’, noemt de NBD-Biblion-recensent het: het huwelijk met de buitenlander, de scheiding en de ontvoering. Inderdaad doemen in de jaren 0 regelmatig verhalen op over in bergdorpjes achtergehouden kinderen uit gemengde huwelijken. Is het wel zo één-op-één actueel? En: hoe bijzonder was dit verhaal ten tijde van publicatie?
  3. Het gezin Laarmans: uniek in de Nederlandse literatuur? Hier zou ik wel eens een neerlandicus over willen horen, in welke mate dit immer draaiende, goedgehumeurde, chaotische gezin in de Nederlandse literatuur een uitzondering was. Het drama lijkt zich buiten hen af te spelen, hoezeer het hen ook raakt. Hoe standaard is zulke feelgood? En hoe standaard is de positieve beoordeling?

We kunnen het niet alleen: linken (2) en samenwerken

Een ander kritiekpunt van Joosten was dat de online media geen gewicht in de schaal leggen zoals traditionele media dat doen. ‘[W]ekelijks zouden die bijlagen per titel tot wel 100.000 lezers hebben.’ Dat zijn indrukwekkende cijfers, al vind ik 1500 bezoeken per dag (gemiddeld 1.51 minuten en 1,99 pagina’s per bezoek, wekelijks dus zo’n 6500 unieke bezoekers) nog steeds niet weinig, en zou ik die duizenden lezers wel willen vragen hoe lang en hoe veel ze in de boekenbijlage lezen.

Liever dan die antwoorden af te wachten zou ik wel eens willen weten of onze bezoekerscijfers overlappen of optellen bij die van 8weekly, Cutting Edge, derecensie-web.log, De Recensent, Literair Nederland, De Reactor, Fabian Stolk en Achille van den Branden. Ik geloof dat het kritische landschap een stuk meer variëteit en boeiende elementen bevat dan de traditionele media – laat staan één krant of weekblad – kunnen bieden. Er is overlap, bijvoorbeeld tussen de missies van Van den Branden en Dessing en Van Meijgaard van recensie-web.log, die het vergeten boek afstoffen, en tussen culturele magazines als 8weekly en Cutting Edge en, in mindere mate, Literair Nederland en Recensieweb. Maar er zijn ook verschillen, punten waarop de sites elkaar aanvullen. Interviews zul je juist bij de redactioneel gestuurde sites vinden, de academischer getoonzette stukken bij De Reactor.

Zou het werken als we eens afspraken de krachten te bundelen en maandelijks rond één boek, één auteur, één oeuvre zouden samenwerken? Er zouden oudere titels van die auteur bij die site besproken worden, op andere sites zou vanuit verschillende invalshoeken het nieuwe boek besproken worden of de auteur geïnterviewd worden. Recensenten en interviewers zouden zich vrij weten hun eigen plan uit te voeren, in de wetenschap dat elders online de in hun stukken ontbrekende elementen gedekt werden. En op termijn zouden ook de lezersfora, de literaire tijdschriften met online takken en actieve winkelwebsites als die van Athenaeum Boekhandel zouden kunnen aanschuiven. Discussie mag, naschriften met weerwoorden mogen, voorstellen voor nader (academisch) onderzoek zijn welkom.

We zouden naar elkaar linken, elkaars publiek vergroten en bewijzen dat internetkritiek meer is dan een niet terzake doende concurrent van dag- en weekbladen. Laat dit stuk daarmee niet alleen een onderzoek zijn naar de mogelijkheden en onmogelijkheden, maar ook een oproep aan de collega’s. Bij Recensieweb, maar ook bij al die andere sites. Laten we eens beginnen. Binnenkort een kopje koffie?

Na zo veel lovende woorden over deze dubbelroman kan een afsluitende alinea nooit negatief zijn. Ik las de afgelopen tijd twee stukken waarin Tsjip, en vervolgens De leeuwentemmer, als beste werken uit het oeuvre van Elsschot werden genoemd. Ik kan dat moeilijk beoordelen, omdat ik de rest van het werk moet (her)lezen, al zijn er elders stukken die kunnen helpen (recensie-web.log over De ontgoocheling bijvoorbeeld, en het archief van NRC Handelsblad).

Maar ik kan wel nu al ingaan op de argumenten van Els Bertens bij 8weekly en Cyrille Offermans bij De Groene (helaas niet toegankelijk voor niet-abonnees). Bertens prijst het moment waarop er bij Laarmans, ‘die eeuwige bankzitter’, ‘een enthousiast laaiend vuur’ ontvlamt: de ontmoeting met zijn kleinzoon. Ontroerend noemt ze dat. Offermans stelt dat in Tsjip en De leeuwentemmer ‘Elsschots stilistische en compositorische vermogen een hoogtepunt [bereikt]. [...] Hij had, met een vermoedelijk onbewuste variant op Flaubert, een boek “zonder inhoud” willen schrijven, een boek waarin het uitsluitend om de “intensiteit” zou gaan. En daarin, constateer ik, is hij volmaakt geslaagd.’

Hoewel de ontroering, de emotie bij veel lezers, dus ook bij recensenten, een belangrijke kracht is, is de analyse de ruggengraat van de kritiek. Elsschot heeft in deze twee boeken in het inhoudsloze een grote eenheid geschapen met allerhande motieven, voorwerpen en het immer geestige commentaar van de passieve man die zich hoofdrolspeler waant. Tweemaal slaat hij aan het einde toe en bereikt daarmee een nog grotere intensiteit: ontroerend, spannend, knap. En misschien nog wel net iets knapper in De leeuwentemmer. Elsschot is anno 2010 niet dood. Elsschot leeft.

En u?

De laatste, en meest gewantrouwde mogelijkheid van internet is deze: de reactiemogelijkheid. Ik deel die argwaan, want niet zelden reageren dezelfde mensen op dezelfde manier over dezelfde stokpaardjes. Bovendien hebben we bij Recensieweb ook het geld niet om onder elke recensie een reactieveld te zetten (of, wat dat aangaat, voor tagging, een weblog en honoraria voor recensenten). of zelfs de logistieke ondersteuners van deze organisatie). Toch vraag ik u te reageren, op Laarmans en Tsjip. De leeuwentemmer, en op deze oproep tot experiment en discussie. Moeten webrecensenten meer durven de traditionele vormen achter zich te laten?

Neem daartoe contact op met de redactie van Recensieweb. Inhoudelijke reacties plaatsen we op Recensieweb.nl, links naar inhoudelijks reacties elders evenzeer. Onder de binnen nu en een maand binnengekomen reacties verloot Recensieweb in samenwerking met Uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep een Verzameld werk van Elsschot (in cassette, in de Gouden Reeks), Elsschots Kaas in de verstripping van Dick Matena en Wieneke ‘t Hoens Dicht bij Elsschot (zie elders op Athenaeum.nl een voorpublicatie), met uniek materiaal uit de gelijknamige tentoonstelling.

Daan Stoffelsen is webboekverkoper bij Athenaeum Boekhandel en eindredacteur van Recensieweb.nl, waar deze recensie ook gepubliceerd is.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum