Recensie: Een brandende toorts voor het schrijverschap

02 juni 2010 , door Gustaaf Peek
| | | |

Al decennia bundelt het literaire tijdschrift The Paris Review (opgericht in 1953) zijn vermaarde interviews en het is een groot plezier die te lezen en te verzamelen. Schrijvers aan het woord laten over hun vak, dat is in het kort de insteek van het blad en het is een duurzame formule gebleken. De interviewers blijven op de achtergrond en stellen persoonlijke én technische vragen, waardoor telkens weer interessante miniaturen ontstaan van oeuvres en carrières. De overeenkomsten, maar vooral de verschillen tussen auteurs krijgen alle ruimte zich te openbaren. Zo is het interview met Ernest Hemingway (1899-1961) uit het midden van de jaren vijftig een wat schematisch gesprek, waarbij duidelijk voelbaar wordt dat Hemingway zijn antwoorden schriftelijk heeft gecommuniceerd. Door gustaaf peek.

N.B. Deze editie van The Paris Review is niet meer op voorraad. We beelden de nieuwste edities af.

Daartegenover staat iemand als Truman Capote (1924-1984), die aan het eind van een interview tegen zijn vrouwelijke ondervrager uitroept: ‘Heavens, girl, can’t you see I like to talk?’ Maar uit beide portretten rijst het beeld van de schrijver als strenge ambachtsman, die zich moet verhouden tot zijn kunst en zijn oppositionele krachten om zijn werk van de grond te krijgen. Boeiend voor zowel lezers als schrijvers.

In het inmiddels 191ste nummer van The Paris Review worden Mary Karr (1955) en Ha Jin (1956) aan de tand gevoeld. Karr, dichter, essayist, en auteur van drie succesvolle bundels memoires, waaronder haar debuut The Liars’ Club (1995) over haar grimmig indringende jeugd in een disfunctioneel gezin in Texas, blijkt even openhartig als haar werk impliceert. ‘Childhood was terrifying for me.’ Uit het interview komt goed naar voren hoe een onzeker meisje met emotionele achterstand zich langzaam maar zeker naar het schrijverschap beweegt, daarmee haar zelfvertrouwen ontdekt en zo haar weg vindt in de wereld als vrouw en kunstenaar.

Even bijzonder is het traject dat Jin — dichter, essayist, auteur van korte verhalen en romans als Waiting (1999, vertaald als Wachten) en A Free Life (2007) — heeft afgelegd van Chinese student die naar Amerika kwam zonder al te duidelijke aspiraties, tot schrijver van kritische verhalen over zijn geboorteland. Zowel voor Karr als Jin was een literaire loopbaan niet de eerste keus, maar eenmaal bevangen door de magie en macht van het woord blijken beiden het schrijven de status van innerlijke noodzaak toe te kennen. Het schrijverschap als overheersende ambitie, als roeping — The Paris Review houdt de toorts brandende.

Er staan, naast de interviews, nog meer opmerkelijke bijdragen in dit nummer. Lieve Joris (1953) opent met een nuchter en goed geschreven verslag van een tocht over de hoogvlakten van Congo. De rest van het proza in het tijdschrift is hit-or-miss. De korte verhalen van Aimee Bender (1969) en Carsten René Nielsen (1966) lijden onder een saaie stijl en een artificiële invalshoek. Het verhaal van Patricio Pron (1975), pretentieus getiteld 'Ideas', over mysterieuze gebeurtenissen rond een dorp in de DDR, vertoont al meer een polsslag, maar echt pakkend wordt het pas bij de schetsen van Benjamin Percy (1979). In acht korte en rake hoofdstukken beschrijft Percy enkele indringende ervaringen die allemaal op de een of andere manier met dieren te maken hebben. Het zijn veelzeggende fragmenten in een dwingende en compacte en ritmische stijl, Percy heeft Hemingway goed gelezen. Een voorbeeld:

‘And once, on a blustery day when the sky was full of gray-bellied clouds, when I was out riding my bike, I passed three crows resting in the low-hanging branch of a sugar maple. They hissed and opened up their wings and took flight. They paced me, not cawing, silent except for the flapping of their wings. Their eyes, regarding me, were as black as their feathers. They were so close I could have reached out and pulled them from the air.’

Waar The Paris Review voor de prozabijdragen overwegend minder bekende auteurs heeft geselecteerd, zijn ze wat betreft de poëzie voor de grote namen gegaan. De dichters James Schuyler (1923-1991) en Robert Hass (1941) krijgen de meeste ruimte. Hass, Amerikaanse Poet Laureate van 1995 tot 1997, schrijft in heldere, ontroerende verzen over de dood van zijn broer. Met een informeler idioom bewegen de postume gedichten van Schuyler zich over de straten van New York en Parijs. Ooit was Schuyler een huisgenoot van Frank O’Hara (1926-1966) en diens invloed is voelbaar, diezelfde speelse en elegische toon, zoals in het korte gedicht ‘Where Was I?’: ‘on Greenwich Avenue / staring down Jane Street / into the sunset / out of which / walks Joe Brainard’.

Een fijn nummer dus, slechts ontsierd door de inmiddels overbekende strandfoto’s van Massimo Vitali (1944). Een portfolio met fotografie is een goed idee voor een literair tijdschrift, het Britse Granta doet het ook, het breekt even de dreun van alle tekst en geeft het hoofd de gelegenheid indrukken te verwerken en de visuele zintuigen te activeren. De nietszeggende, prikkelloze beelden van Vitali versuffen de gedachten echter meer dan dat ze deze opwekken. Een gemiste kans.

Maar verder doet het blad gewoon goed waar het goed in is. Door de vanzelfsprekende kwaliteit is een abonnement op The Paris Review eerder noodzaak dan luxe, en een los nummer als dit een uitstekende introductie.

Gustaaf Peek is de schrijver van de romans Armin (2006), Dover (2008) en Ik was Amerika (najaar 2010). Hij is redactielid van De Revisor.

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum