Recensie: Een intens verlangen om te getuigen

21 november 2009 , door Ruth Kief
| | |

IJzingwekkende verslagen zijn het, de getuigenissen uit de Tweede Wereldoorlog van mensen die niets meer rest dan het verlangen te vertellen van het vreselijks dat hen is aangedaan. Ook Klaartje de Zwarte-Walvisch, een joodse vrouw uit Amsterdam, wilde, gevangen in kamp Vught, niet dat wat haar ogen zagen vergeten zou worden. Ze hield een oorlogsdagboek bij, dat onlangs werd gepubliceerd onder de titel Alles ging aan flarden. Behalve een aangrijpend ooggetuigenverslag is het dagboek ook van literaire waarde, volgens ruth kief.

In het eerste deel van het essay Images in Spite of All (Images malgré tout) beschrijft de Franse filosoof Georges Didi-Huberman de leefomstandigheden van de Sonderkommando’s in Auschwitz, de groepen joodse kampgevangen die belast waren met het vergassen en verbranden van andere gevangenen. Naast de omschrijving van de afgrijselijke handelingen waar deze mensen toe gedwongen werden, blijft van dit deel van het essay vooral hun verlangen tot getuigen bij. Nadat de leden van de Sonderkommando’s zich gerealiseerd hadden dat het niet de bedoeling was dat zij hun gevangenschap zouden overleven, en nadat hun duidelijk was geworden dat ze niet konden ontsnappen, steekt bij velen het verlangen de kop op om te getuigen, om te vertellen over de gruweldaden waartoe ze gedwongen zijn, of die ze aanschouwd hebben. Zo proberen ze bijvoorbeeld belastende documenten het kamp uit te smokkelen, en slagen ze er met hulp van leden van het Poolse verzet in om een fotocamera te bemachtigen en foto’s te maken van een groep naakte vrouwen die naar de gaskamers gedreven wordt, en van andere leden van het commando die onder toezicht van de SS lijken verslepen en verbranden. Deze verschrikkelijke foto’s en de controverse rondom hun openbaar worden, zijn het onderwerp van Didi-Hubermans betoog, maar toch grijpt een ander voorbeeld uit het essay mij nog meer aan. In het eerste hoofdstuk van 'Images' schrijft Didi-Huberman over geschreven getuigenissen die na de oorlog teruggevonden zijn:

'they sometimes confided their testimonies to the earth. Digs undertaken around the borders of the Auschwitz crematoria have since brought to light – often long after the liberation – the devastating, barely legible writings of theses slaves of death. Bottles cast into the earth, as it were, except that the writers did not always have bottles in which to preserve their message. At best, a tin bowl.’

Dit intense verlangen om hoe dan ook te getuigen, om te vertellen over de verschrikkingen in de hoop dat het later door iemand gevonden, gelezen begrepen en, vooral, niet vergeten zal worden, spreekt ook uit het recent gepubliceerde oorlogsdagboek van Klaartje de Zwarte-Walvisch. De Zwarte-Walvisch, een joodse vrouw uit Amsterdam, slaagde erin om tijdens haar gevangenschap in Kamp Vught een journaal bij te houden. Het dagboek is een bijzonder document, niet alleen omdat het een schokkende inkijk in het leven in de kampen geeft, maar ook omdat het nog eens duidelijk maakt dat de gruwelen van Hitlers Derde Rijk niet beperkt bleven tot Duitsland en Polen. Zo maakte De Zwarte-Walvisch bijvoorbeeld het kindertransport van 1943 mee. In haar dagboek schrijft ze hoe de vrouwen in het kamp op een avond plotseling veel beter te eten krijgen dan ze gewend zijn, en dat hun mannen – die aan de andere kant van het kamp opgesloten zitten – geheel onverwacht bij ze op bezoek mogen komen. Dat is verdacht, vindt De Zwarte-Walvisch; daar moet iets achter steken. Niet lang daarna wordt de gevangenen dan ook verteld dat alle kinderen jonger dan 16 jaar naar een ander kamp zullen worden overgebracht, de kleintjes verplicht onder begeleiding van hun moeder. Tot dat transport zijn de meeste gezinnen erin geslaagd om bij elkaar te blijven. Mannen, vrouwen en hun kinderen leefden weliswaar grotendeels gescheiden, maar er was wel regelmatig gelegenheid om elkaar te zien. Het vooruitzicht van geliefde of kind gescheiden te worden drijft veel gevangenen tot waanzin, zo schrijft De Zwarte-Walvisch in haar dagboek. Ze vertelt bijvoorbeeld hoe een vader zijn kind probeert te wurgen, want ‘liever bracht hij het zelf om het leven dan dat hij het in vreemde handen gaf’.

De omschrijving van het daadwerkelijke moment van afscheid een paar dagen na de aankondiging, is een van de aangrijpendste passages uit het boek:

‘Zoals men weleens onwillekeurig een stukje papier versnippert, zo werden harten en zielen verscheurd en uit elkaar gerukt. Alles ging aan flarden. Alles werd vertrapt. Elk hartje, onverschillig of het klein of groot was, werd vertrapt, besmeurd en onherstelbaar verwoest. Dit was beschaving. Dit was cultuur. Dit was het nieuwe Europa.’

Naast historische heeft het dagboek van Klaartje de Zwarte-Walvisch ook literaire waarde. De Zwarte-Walvisch kon schrijven, zoals in het bovenstaande citaat goed te zien is. En dan te bedenken dat ze waarschijnlijk maar een beperkte hoeveelheid schrijfgerij tot haar beschikking had en dat ze in het geheim moest schrijven, omdat dat verboden was in de kampen. Verschrikkelijk dat ze de oorlog niet overleefd heeft, en dat ze de publicatie van haar dagboek niet meer mee heeft kunnen maken. Gelukkig is ze er wel in geslaagd haar dagboeken aan haar zwager over te dragen voordat ze in juli 1944 op transport naar Polen moest, en kunnen wij nu, 66 jaar na dato, haar verslag lezen, iets dat ze vurig wenste. Klaartje de Zwarte-Walvisch’ getuigenis is niet onopgemerkt gebleven.

Ruth Kief studeerde Algemene Literatuurwetenschap (UvA) en was medeoprichter en voorzitter van studievereniging Fabula Rasa.

MINDBOOKSATH : athenaeum