Recensie: Het mattheüseffect en de groeiende ongelijkheid

01 januari 2010 , door Thijs Bol
| | | |

In The Matthew Effect laat de Amerikaanse socioloog Daniel Rigney zien hoe ongelijkheid tussen mensen steeds groter word. Het begrip dat hij hierbij centraal stelt is het mattheüseffect: degenen die veel hebben krijgen steeds meer en degenen die weinig hebben krijgen steeds minder. Rigney analyseert deze groeiende ongelijkheid in allerlei verschillende velden en staat stil bij twee fundamentele vragen: waar komen mattheüseffecten vandaan en moeten we er iets aan doen? Door thijs bol.

'Want wie heeft zal nog meer krijgen, en wel in overvloed, maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij heeft nog worden ontnomen.' Deze stelling, Mattheüs 25.29, inspireerde de socioloog Robert K. Merton in 1968 tot het benoemen van het mattheüseffect. Dat effect moet je volgens Merton zien als een variant van het sneeuwbaleffect: hoe groter de sneeuwbal wordt, hoe meer sneeuw er aan blijft plakken. Wat het beschrijft is een exponentiële groei van een immaterieel of materieel goed. Juist de mensen die al veel van een goed bezitten zullen hier meer van krijgen. Dit wil niet zeggen dat degenen die weinig hebben per definitie minder krijgen – de groei die zij doormaken is alleen langzamer dan de groei van de grootbezitthers. De relevantie ligt logischerwijs in het groter wordende gat tussen degenen die veel hebben en degenen die weinig hebben; uiteindelijk beschrijft het mattheüseffect een groeiende ongelijkheid tussen mensen, groepen, bedrijven of landen.

In zijn oorspronkelijke analyse focuste Merton zich op mattheüseffecten in de wetenschap. Hij ontdekte dat bekende onderzoekers disproportioneel worden geciteerd en gewaardeerd voor hun onderzoek. Wanneer er een onderzoek is gedaan door twee wetenschappers, en een van de twee is vooraanstaand, zal juist die wetenschapper meer gelauwerd worden voor het werk. De wetenschappers die veel waardering hebben (in de vorm van citaties of prijzen) zullen disproportioneel meer waardering krijgen.

Terwijl Merton zich vooral richtte op het veld van de wetenschap legt Rigney de lat in zijn boek hoger: naast een overzicht van mattheüseffecten in de wetenschap bestudeert hij ook die effecten in de economie, technologie, de politiek en het onderwijs. Dit levert een reeks aan interessante analyses op. Zo bespreekt hij in zijn hoofdstuk over technologische ontwikkeling het idee dat het promoten van een bepaald boek leidt tot hogere verkoopcijfers, wat op haar beurt weer leidt tot meer promotie. Een ander, voor de hand liggend, voorbeeld wordt gegeven door de rente die banken geven op gespaard geld. Wanneer persoon een 100, en persoon twee 1000 euro spaart tegen een percentage van vijf procent zal het initiële verschil van 900 euro gedurende tien jaar oplopen tot meer dan 1400 euro. Maar ook op sociaal en cultureel gebied bestaan er sterke mattheüseffecten. Het meest sprekende voorbeeld is dat juist de kinderen wier ouders een hoge opleiding hebben genoten zelf ook vaak hoger opgeleid zijn. In al deze voorbeelden leidt een voordelige positie bij aanvang tot alleen maar meer voordeel.

Maar waar komen mattheüseffecten vandaan? En (hoe) moeten we ze oplossen? Alhoewel ieder mattheüseffect zijn eigen ontstaansgeschiedenis heeft zijn er volgens Rigney twee alternatieve benaderingen mogelijk. De eerste benadering is dat het objectieve feiten zijn die buiten de invloed van de mens ook zouden bestaan. Ter illustratie geeft hij het voorbeeld van een biologisch mattheüseffect: een sterke hond eet het eten van een zwakkere hond op en wordt daardoor sterker. De zwakkere hond wordt steeds zwakker en zal uiteindelijk sterven.

Een meer sociologische verklaring beschrijft Rigney door het zien van mattheüseffecten als uitkomsten van de door de mens geconstrueerde spelregels van het leven. Ze ontstaan door juist die regels die ongelijkheid in het zadel werken. In tegenstelling tot bij de feiten in de meer objectieve verklaring kunnen spelregels veranderd worden. We kunnen er bijvoorbeeld voor kiezen de zwakke hond extra eten te geven zodat hij sterker wordt en uiteindelijk weerstand kan bieden. Of en hoe we dit moeten doen hangt af van iemands positie in het politieke spectrum; het is een morele vraag. Juist deze laatste verklaring is een open deur die veel meer uitwerking had verdiend. Waar de korte paragrafen in de rest van het boek een verademing zijn, had een diepergravender beschrijving van deze meer filosofische discussie over de legitimiteit van mattheüseffecten het boek een sterker slot gegeven.

De kracht van het boek ligt dan ook eerder in de verscheidenheid aan voorbeelden die Rigney in een beperkt aantal pagina's beschrijft. Hij heeft zich goed ingelezen in de literatuur over ongelijkheid en brengt een prima inleiding op dit thema. Dat hij een actueel en voor de hand liggend voorbeeld als de Amerikaanse gezondheidszorgvoorziening laat liggen nemen we maar op de koop toe. Ook daar was immers tot voor kort sprake van een sterk mattheüseffect: alleen degenen die gezond zijn konden tegen een betaalbare premie een verzekering afsluiten die hen gezond hield. Aan het begin van het boek schreef Rigney dat ongelijkheid in veel gevallen geanalyseerd zou kunnen worden in termen van mattheüseffecten, maar dat onderzoekers het niet op die manier zien. Onterecht, toont Rigney aan: het door Merton benoemde concept is absoluut niet verjaard en biedt ook nu een sterk kader voor de analyse van ongelijkheid.

Thijs Bol is als promovendus verbonden aan de Amsterdamse School voor Sociaal wetenschappelijk onderzoek en aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn onderzoek richt zich op onderwijs en de arbeidsmarkt.

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum