Recensie: Niet zo'n vakantieganger

30 november 2015 , door Godeke Donner
| |

In het Malinese dorpje Kokry, aan de rivier de Niger staat een Cabine téléphonique Lieve. De trotse eigenaar noemde zijn nieuwe postkantoortje als dank voor haar morele steun naar Lieve Joris. Joris was weer eens ver van de toeristische trekpleisters afgedwaald, die ze dan ook altijd heeft gemeden. En bij voorkeur ook landen die ‘af’ zijn, mijdt ze. Geef haar maar het Grote Merengebied in Afrika of de voormalige Oostbloklanden. Daarover gaat het in deze bundel reisverhalen. Sommige verschenen eerder in een andere vorm, zo wordt in het boek vermeld. Maar actueel blijven ze, deze berichten uit Afrika, Oost-Europa en het Midden-Oosten. Door godeke donner.

Zaïre is net weer Congo geworden als Lieve Joris er in het oostelijke stadje Bunia landt. Als ze hoort dat de weg naar het zuiden weer opengaat, vraagt ze de lokale depotbeheerder Salumu of hij haar mee wil nemen. Hij gaat akkoord maar stelt de reis keer op keer uit. Salumu en zijn handelaren moeten koopwaar aan de man brengen, maar eerst wachten ze tot de prijs naar hun zin voldoende is gestegen.

‘Het depot was het centrum van hun wereld en gaandeweg bracht ook ik er meer tijd door. Het was zoals wel vaker in deze contreien: je moest stilvallen om te begrijpen wat er om je heen gebeurde. Het was een mannenwereld, waar informatie zwijgend geregistreerd werd en middels een zijdelingse blik, een geheimzinnig lachje of een enkel woord werd doorgespeeld. Het duurde even voor ik begreep dat de meisjes die de galerij op liepen en in de gang achter het depot verdwenen, geen huursters waren, maar hoertjes, op zoek naar klanten. In hun zwarte leggings en doorzichtige topjes leken ze op de dansende koffiettes in de videoclips van Koffi Olomidé; ze waren het tastbare bewijs dat het met de zedenpolitie in het nieuwe Congo wel meeviel.’

Eindelijk vertrekken ze. In een auto volgestouwd met sigaretten, de eerste die sinds de oorlog weer te krijgen zijn. Op de onmogelijk slechte weg die hen in acht uur vijfenvijftig kilometer verder brengt, komen ze fietsers tegen die op hun bagagedragers niets dan een paar vissen vervoeren. Op en neer, meer dan honderd kilometer over bulten en kuilen. Maar dan de jongens die op de fiets palmolie vervoeren in gele jerrycans. Die rijden vijfhonderd kilometer, met tachtig liter verdeeld over vier vaten per rit.

Lieve Joris reist niet over gebaande wegen, sterker, soms krijg je het gevoel dat een plek haar niet primitief genoeg kan zijn. Is ze dan echt in het armoedigste dorpje beland waar uit de kraan drabbig water komt en de urinelucht niet te harden is, dan houdt ze een auto aan om weer terug te komen in de bewoonde wereld. Als het vehikel waarmee ze terugreist dan ook nog een wiel verliest, pakt ze haar rugzakje op en loopt uitgeput terug naar Bunia, waar haar reis begon.

Plucky lady, is de overheersende gedachte als je deze verhalen leest. Maar hoe spontaan en ongeorganiseerd ze ook in situaties lijkt te belanden, daar gaat een strakke voorbereiding aan vooraf. In een interview (in de Volkskrant) zei Lieve Joris onlangs dat ze grondig investeert in contacten. Vaak maandenlang is ze bezig met het opbouwen van een netwerk. Met een hele lijst adressen op zak gaat ze op pad. En het liefst logeert ze bij mensen thuis. Haar personages staan net als zij met één been buiten hun eigen samenleving. Dat herkenningsmoment is waar haar verhalen om draaien.

In 1987 gaat ze op stap met Ryszard Kapuscinski. Ooit hadden ze in Amsterdam afgesproken dat hij haar Polen zou laten zien. Met de ogen van de jongen uit Pinsk, het armste stadje van Oost-Polen waar Kapuscinsky werd geboren, kijkt hij naar de wereld. Zevenentwintig revoluties heeft hij in de wereld meegemaakt maar hij is geen cynicus geworden, constateert Joris. Als ze op een avond voor een dichte deur staan van het restaurant waar ze zouden eten en Joris daar een opmerking over maakt, valt Kapuscinsky uit: ‘Westerlingen ook altijd met hun stomme vragen! Waarom zijn er niet genoeg taxi’s, waarom is er geen toiletpapier? Voor alles moet hij zich verontschuldigen. Dit is een land in crisis, vergeet dat niet, geen investeringen, niets, we hebben alleen maar schulden. Als een restaurant open is, moet je blij zijn want eigenlijk zou het gesloten moeten zijn. Vroegen ze Sartre soms waarom de metro vuil was?’

Toen Kapuscinsky eens bij terugkomst uit Afrika zijn vader, die niets van zijn journalistieke activiteiten moest hebben, kwam opzoeken, was het enige wat die zei: ‘Warm daar hè?’ Verder niets, geen woord. Het had Lieve Joris zelf kunnen overkomen.

Godeke Donner heeft Nederlandse Letterkunde en Algemene Literatuurwetenschap gestudeerd aan de UvA en de Sorbonne-IV. Ze heeft in de afgelopen 25 jaar in onder andere Madrid, Buenos Aires, Paramaribo en Jakarta gewoond en schreef boekrecensies voor verschillende kranten.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum