Recensie: November, altijd

30 november 2015 , door Herm Pol
| |

‘Het regent en het is november: / Weer keert het najaar en belaagt / Het hart, dat droef, maar steeds gewender, / Zijn heimelijke pijnen draagt.’ Dat is Bloem, maar het slaat evengoed op Per Petterson. Altijd spelen zijn romans zich af in die maand, er gloort nergens iets.

Als je Pettersons biografie erop na slaat, dan begrijp je dat wel. Ja, Petterson brak internationaal door na de publicatie van zijn vijfde roman, Paarden stelen. Het boek won de Independent Foreign Fiction Award (waarom bestaat er in Nederland trouwens nog niet zo’n prijs?) en een heel rijtje andere prijzen. Maar op persoonlijk vlak ging het hem minder goed af. Door herm pol.

Per Petterson

Het laatste wat de moeder van Per Petterson tegen hem zei nadat zijn eerste roman in Noorwegen was uitgekomen, was dat ze hoopte dat zijn volgende roman niet zo kinderachtig zou zijn. Dat kwam hard aan. Een week later was ze dood. Pettersons moeder, vader, broer en neef stierven in 1999 toen de Scandinavian Star, de veerboot van Oslo naar Frederikshaven, in brand vloog. 157 mensen vonden de dood, het werk van een pyromaan.

In meerdere van zijn boeken is Arvid Jansen het hoofdpersonage en de verteller. Toch is het niet de bedoeling, zo vertelde Petterson eerder deze week, dat Arvid als Pettersons alter ego wordt beschouwd. ‘Het is eerder mijn woordvoerder, mijn stuntman, zo je wil,’ zei hij. ‘Er gebeuren dingen met hem die mij hadden kunnen gebeuren maar niet gebeurd zijn. Toch denkt hij zoals ik denk, heeft hij mijn mentaliteit, mijn karakter.’

In zijn roman Kielzog, die zes jaar na het drama met de veerboot verscheen, voert Petterson Arvid op die het dramatische verlies van zijn in de vlammen omgekomen ouders en broer probeert te verwerken. Waar Arvid in dat boek twee weken van de wereld is, duurde de rouw in het echte leven van Petterson ruim twee jaar.

Arvid Jansen, 1989

De titel van Ik vervloek de rivier des tijds is ontleend aan een gedicht van Mao. Het is een boek over terugdenken, over verleden, over verloren familiebanden, onzekerheid, over geliefd willen zijn en over de onkunde en misschien wel onwil om daar voor open te staan. Arvid is anders dan anderen, dat vindt hij in ieder geval van zichzelf, alsof hij een eenpersoonsras is dat hij zelf amechtig in stand probeert te houden.

Het boek begint met de val van het communisme in 1989. Arvid is 37 jaar en staat op het punt te gaan scheiden. Tegelijkertijd wordt bij zijn moeder kanker vastgesteld. We volgen Arvid in zijn poging vaste grond onder de voeten te krijgen. En terwijl hij probeert klaarheid in zijn hoofd te krijgen, dwalen zijn gedachten heen en weer in de tijd. Door zijn geschiedenis denkt hij na over de rol die hij heeft gespeeld in het gezin waarin hij is opgegroeid, en over de rol die hij had willen spelen. Het heeft geen zin te herinneren, vindt Arvid. De vervloekte rivier des tijds stroomt altijd maar door. Je kunt er korte stukken tegenin zwemmen, maar je wordt altijd weer, onherroepelijk, meegevoerd.

Arvid herinnert dus tegen beter weten in, zinloos. Toch herinnert hij. Vakanties aan het strand met zijn broers, verliefdheden, plekken waar hij gewerkt heeft, hoe hij als overtuigde communist met school stopte om aan de lopende band te werken om zo te behoren tot de vierde stand, de werkende klasse. En over hoe zijn moeder dat allemaal niet kon begrijpen. De moeder, die nadat ze te horen heeft gekregen dat ze kanker had, haar koffers pakt, en naar een zomerhuis in Jutland vertrekt, zonder haar man of kinderen mee te nemen. Gewoon, alleen om haar leven te overdenken, om domweg alleen te zijn. Toch reist de  met zichzelf worstelende Arvid haar na. Of dat nou uit plichtsbesef is, of uit liefde, of uit angst, of om iets anders, dat is hem ook zelf niet duidelijk.

Tien zinnen

Petterson laat die relatie tussen zoon en moeder prachtig onafgerond. In losse brokstukken, het lijkt wel of hij van bladzijde naar bladzijde schrijft, zonder te weten wat de volgende zal brengen, beschrijft hij hoe ze van elkaar houden en hoe ze elkaar tegelijkertijd afstoten. Arvids drang naar waardering wordt door de moeder voornamelijk als onvolwassen beschouwd. Natuurlijk houdt ze van hem, zegt ze meer dan eens. Hij is immers haar kind?

En toch denk je als lezer, en dat is iets wat Petterson onnavolgbaar tussen de regels door smokkelt, dat haar hart uitgaat naar een overleden broer van Arvid. Steeds weer handelen de twee tegen elkaars gevoelens in, doen ze wat de ander niet verwacht of graag wil. En hoewel je hoopt op een happy end, brengt die dialectische houding ze niet dichter bij elkaar. Ze blijven tegenover elkaar staan en komen niet dichter bij de waarheid. De schrijver Clive James heeft eens gezegd dat je in romans hooguit tien zinnen nodig hebt om greep op de inhoud te krijgen, om de sfeer te kunnen voelen, of om het vervolg te kunnen inschatten. Pettersons boek staat vol met dat soort zinnen en passages. Dat maakt het zo’n onweerlegbaar goed geschreven roman.

‘Ik wilde anders zijn. Ik wilde een verschil maken en een cesuur in de tijd zijn. Maar dat was ik niet, en ik besefte plotseling dat het misschien onmogelijk was om de Arvid achter me te laten die ik tot nu geweest was, hem de rug toe te keren zoals ik had geprobeerd, hem aan zijn haren omhoog te trekken en hem te laten wegzinken in een andere Arvid, een Arvid die ik nog niet kende, van wie ik niet wist wie hij was […]’

Melancholie

De Arvid die Petterson in Ik vervloek de rivier des tijds opvoert, is een met zichzelf worstelende oude adolescent. Met zijn 37 jaar is hij, zou je kunnen zeggen, een halfvolwassen mens die  op zoek is naar vaste grond maar steeds weer struikelt of wegzinkt in wat had kunnen zijn. En de moeder die ondanks haar ziekte doorgaat, is een onafhankelijke geest die aan het eind van haar leven beseft dat het allemaal anders gelopen is dan ze eigenlijk gewild had. Een zoon die zijn plaats zoekt, en een zieke moeder die terugkeert naar Denemarken - dat is eigenlijk de hele verhaallijn in Ik vervloek de rivier des tijds. Maar daar draait het in Pettersons proza niet om. Het is de melancholie, of beter nog, de blues, die je naar adem happend dit boek inzuigt. 'It’s not the story you tell, but the way you write,' zei Petterson van de week. J.C. Bloem zei het al: altijd november, altijd regen, altijd dit lege hart, altijd. Wat een boek.

Herm Pol is winkelchef bij Athenaeum Boekhandel Amsterdam. Elke zaterdag praat hij om ongeveer kwart voor elf bij De Avonden over een buitenlandse titel. Dit is een bewerking van zijn bijdrage van 27 maart.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum