Recensie: Stalin als seriemassamoordenaar

30 november 2015 , door Ugur Ümit Üngör
| | | | |

‘Eén dode is een tragedie, een miljoen doden een statistiek.’ Deze ijzingwekkende spreuk is vaak aan de beruchte Sovjet-dictator Josef Vissarionovitsj Dzjoegasjvili (1878-1953) toegeschreven. In de periode dat Stalin aan de macht was, van 1924 tot zijn dood, leidde hij een reeks zuiverings- en vervolgingscampagnes tegen (vermeende) tegenstanders van de Sovjetunie. Naar schatting kwamen in deze processen tien tot vijftien miljoen mensen om het leven. Historicus Norman Naimark, auteur van eerdere boeken over Rusland en de Sovjetunie, heeft nu een toegankelijk boek geschreven over de misdaden van Stalin. Door ugur ümit üngör.

Stalin’s Genocides is niet gebaseerd op nieuw bronnenonderzoek en biedt geen fundamentele revisie van de gangbare benaderingen, maar is primair een overzichtsessay met een deels nieuwe insteek. De zeven kernhoofdstukken behandelen elk een thema uit de geschiedenis van het stalinisme: genocide als probleem, Stalin als genocidale dader, de collectivisatie en dekoelakisatie, de hongersnood in Oekraïne, de deportaties van complete naties, de grote terreur, en, in een slothoofdstuk, de vergelijking met Hitler. Gezamenlijk biedt deze compositie een soepel samenwerkend geheel. Voor gevorderden valt er weinig te leren van dit boek, maar voor beginners biedt het een afgemeten inleiding op een veelomvattende literatuur.

Genocide

Genocide is te definiëren als een complex proces van systematische vervolging en vernietiging van een groep mensen door een staatsoverheid. Van een genocide spreken we als individuen niet op basis van hun individuele eigenschappen of deelname in bepaalde daden worden vervolgd, maar louter op basis van hun veronderstelde of toegeschreven lidmaatschap van een groep. Alhoewel het weinig zinvol is met ‘slachtofferminima’ te werken, kunnen we stellen dat een genocidaal proces altijd grootschalig is en de gehele samenleving aangaat, en dat in genocide een aanzienlijk, vaak kritiek deel van slachtoffergemeenschappen integraal de vernietiging in wordt gejaagd. In de twintigste eeuw zijn wereldwijd waarschijnlijk 40 tot 60 miljoen mensen het slachtoffer geworden van doelbewust genocidaal beleid.

In het groeiende interdisciplinaire veld van genocidestudies is inmiddels veel nuttig onderzoek verricht naar het verloop van afzonderlijke genociden zoals de vernietiging van de Ottomaanse Armeniërs in 1915, de sjoa, de genociden in Cambodja van 1975-’79, Rwanda in 1994, en Bosnië. Ook over bepaalde aspecten van genocidale processen is inmiddels veel bekend. Er is zowel afzonderlijk als vergelijkend onderzoek verricht naar de omslag van een min of meer ‘normale’ burgermaatschappij naar een vervolgingsmaatschappij, de beweegredenen van de ‘normale’ daders, de macht en werking van charismatische leiders, de genderspecifieke aspecten van het geweld, etc. Met dit boek sluit Naimark aan bij de bestaande literatuur over genocidaal geweld, en verbindt daarmee twee wetenschappelijke tradities: genocidestudies en Sovjet-studies.

Stalin als seriemassamoordenaar

De politieke misdaden van Stalin zijn al vrij lang bekend in het westen, maar op grondige studies moest gewacht worden tot na de val van de Sovjet-Unie. Met name in de periode-Jeltsin genoten historici namelijk een ongekende vrijheid en toegang tot archiefmateriaal. Het vele onderzoek dat in deze periode is uitgevoerd heeft bestaande inzichten verscherpt en nieuwe kennis toegevoegd. Naimark betoogt nu in Stalin’s Genocides helder waarom de verschillende vervolgingsprocessen onder Stalin genocidaal waren. De centrale stelling van dit boek is dat deze brutale massamoorden moeten worden gezien als vormen van genocide. Naimark hanteert daartoe vier overtuigende argumenten.

Ten eerste werden deze processen vanuit de hoogste politieke autoriteit, namelijk Stalin zelf verordonneerd. Volgens hem was de dictator hoogstpersoonlijk verantwoordelijk voor het op gang brengen van de dwangarbeid, deportaties, hongersnood, massa-executies, en gevangennames die miljoenen slachtoffers zou eisen. Het waren geen initiatieven van een lokale Siberische elite of van zetbazen van de NKVD die op eigen houtje concentratiekampen gingen bouwen. Nee, het politieke extremisme en het paranoïde karakter van Stalin was de drijvende kracht achter het geweld.

Het tweede, cruciale argument is dat de slachtoffers niet op basis van hun individuele eigenschappen of daden werden vermoord, maar omdat ze als exemplaar van een abstracte categorie werden gezien. Deze groepen waren zo abstract als ‘sociaal schadelijke elementen’, ‘voormalige mensen’, en ‘vijanden van het volk’ (wrag naroda). De dekoelakisatie bijvoorbeeld richtte zich binnen een verbeelde groep als ‘koelakken’ op alle vormen van sociale organisatie: van de familie tot het dorp, van de gilde tot de parochie, en de natie. De collectieve identiteit als ‘koelak’ was belangrijker dan welke andere eigenschap dan ook, en bovendien was zij erfelijk: ook kinderen van koelakken waren koelakken. Dit raakt aan de essentie van genocide: de aanval op de groep als groep.

Ten derde was het gangbaar dat de slachtoffers werden gedehumaniseerd: het proces waarbij de vermeende inferioriteit van een groep wordt gepropageerd door middel van beeldvorming en daden. Het waren ‘zwijnen’, ‘tuig’, ‘onkruid’, ‘honden’, ‘kakkerlakken’, ‘parasieten’, ‘vuilnis’, ‘apen’ en ‘halve beesten’. Ontmenselijking creëert de afstandelijkheid waardoor het voor daders makkelijker wordt om te martelen en moorden. Het zijn immers geen mensen die worden vermoord, maar iets wat wordt ‘weggesneden’, ‘weggezuiverd’, en ‘afgemaakt’.

Tot slot is ook de schaal van de vernietiging van belang. Tijdens de dekoelakisatie werden 30.000 koelakken zonder vorm van proces doodgeschoten, en al in 1932 waren 500.000 koelakken gestorven in concentratiekampen. De gecreëerde hongersnood van 1932-33 kostte een duizelingwekkende 40% van de gehele bevolking van Kazachstan het leven, en in Oekraïne kwamen bij die hongersnood ca. vijf miljoen mensen om. In 1940 vermoordde de NKVD 22.000 Poolse officieren in de bossen bij Katyn, vrijwel de complete Poolse militaire elite. In 1944 deporteerde het regime zonder uitzondering alle 496.460 Tsjetsjenen, waarvan slechts 60% het transport naar Kazachstan overleefde. En de lijst is nog veel langer.

Verdiensten en gebreken

Victor Hugo schreef eens: ‘If a man is killed in Paris, it is a murder; the throats of fifty thousand people are cut in the East, and it is a question.’ Het is deels de verdienste van historici van het stalinisme dat oriëntalistische benaderingen in de genocidestudies  bedwongen zijn. Te vaak zijn schurken buiten Europa geromantiseerd als producten van brute culturen. Moderne politieke misdaden zijn te vaak toegeschreven aan inherent boosaardige schurken met grote snorren uit exotische gebieden zoals de Balkan en de Kaukasus, bezeten door oriëntaals barbarisme en achterlijk tribalisme.

Karikaturen zoals deze romantiseerden niet alleen de daders, maar bagatelliseerden ook de ervaringen van de slachtoffers. Dat waren immers toch maar vervangbare massa’s van analfabete boeren of anonieme dorpelingen. Impliciet racistische vooronderstellingen zoals deze zijn ondermijnd in het recente onderzoek naar massaal geweld, waarin individuele slachtoffers en daders serieus worden genomen. Stalin’s Genocides verwerpt dit soort essentialistische platituden, hoewel Naimark zelf ook betrapt kan worden op een enkele uitspraak als ‘The Georgians are a proud and boisterous people who fostered their national identity…’

Er zijn drie noemenswaardige tekortkomingen aan zijn boek. Naimark maakt weinig woorden vuil aan de institutionele context en het procesmatige karakter van genocidale episoden. De lezer zoekt vergeefs naar subtiele analyses van de belangrijkste organisaties die verantwoordelijk waren voor het implementeren van het geweld. Hoe werkten de NKVD, het GULAG-systeem, de partij, en de ministeries eigenlijk samen in deze processen?

Naimark concentreert zich veel op Stalin, en had misschien meer aandacht moeten geven aan de invloedrijke NKVD-bazen: de verdorven Genrikh Yagoda, de alcoholist Nikolai Yezhov (‘as vile a perpetrator as one can find’), de ambitieuze Lavrenti Beria, en de meedogenloze Viktor Abakumov – de een nog beruchter dan de andere. Deze mannen opereerden in een politieke cultuur waarbinnen dit geweld mogelijk was. Hoe gingen zij zelf om met de bloedige taken die ze moesten leiden en uitvoeren?

Een ander gemis aan dit boek is het gebrek aan opheldering. De lezer wordt verpletterd met de ene huiveringwekkende massamisdaad na de andere, maar Naimark biedt weinig verklaringen voor het ontstaan, verloop, en de dynamiek van de massamoorden. Waardoor begon een vervolgingsproces opeens, en waarom de-radicaliseerde het vaak? De antwoorden op deze vragen moet de lezer in andere boeken zoeken.

De toekomst van het verleden

In de context van de Europese geschiedschrijving neemt dit boek een uitdagende en originele positie in. Naimark vergelijkt de misdaden en het bewind van Hitler met dat van Stalin, en trekt enkele genuanceerde conclusies. Volgens hem waren de genocidale aanvallen van de nazi’s deels vergelijkbaar met die van Stalin. Beide ontwikkelden een grootschalig complex van concentratiekampen, beide waren het product van genadeloze veiligheidsdiensten, beide probeerden (de elites van) bepaalde groepen mensen integraal te vernietigen. De indruk die het boek uiteindelijk achterlaat is dat Stalins genociden zo veelomvattend waren dat ze eigenlijk niet in 163 pagina’s passen. Maar ondanks de op- en aanmerkingen is dit boek een uitstekende synthese van en inleiding op Stalins bloedige regime.

Het verleden is nog niet voorbij. De erfenis van het stalinisme galmt tot op de dag van vandaag door in Rusland en in de post-Sovjetrepublieken. In Poetins Rusland wordt Stalin in de schoolboeken en de publieke beeldvorming in ere hersteld. In 2008 stormde de FSB, de opvolger van de NKVD en KGB, het kantoor binnen van Memorial, een onderzoeksstichting die de herinnering aan de slachtoffers van het stalinisme probeert te eren. De staf werd bedreigd en het onschatbare archief in beslag genomen. Zoals William Faulkner schreef: ‘The past is not dead. In fact, it’s not even past.’

Ugur Ümit Üngör is historicus met als specialisme genocide, in het bijzonder de Rwandese en Armeense genocides. Hij schreef eerder Vervolging, Onteigening en Vernietiging. Zijn proefschrift Mass Violence and the Nation State in Eastern Turkey, 1913-1950 verschijnt komend jaar in handelseditie bij Oxford University Press.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum