Recensie: ‘Wat een moeras, het menselijk bestaan’

30 november 2015 , door Rudi Wester
| | | | | |

Het is vooral met het oog van de biograaf-in-spe, die ik ben van Jef Last (1898 — 1972), dat ik met groeiende verbazing het tweede deel van de biografie van Gerard Reve, geschreven door Nop Maas, heb gelezen. Nu kan Jef Last in geen honderd jaar tippen aan het literaire talent van Reve, maar beider levens waren rijkelijk gevuld met processen en homoseksuele schandalen, honderden ‘vrienden’, passanten en grote liefdes, denderende ruzies en publieke optredens. Beiden waren eeuwige rebellen en konden niet lang ergens aarden. Kortom, stof te over voor een biografie, maar de mijne zal circa 450 bladzijden tellen en Nop Maas zit met twee delen al boven de duizend bladzijden. Je zou kunnen zeggen: dat is Reve meer dan waard, meer dan Last in elk geval — overigens hadden die twee een gloeiende hekel aan elkaar, schrijft Nop Maas —, maar is dat ook zo? Door rudi wester.

Niet de duiding, maar de details

Want daar komt mijn groeiende verbazing vandaan. Maas heeft ontegenzeggelijk vlijtig onderzoek gedaan, elke snipper papier over Reve, elk optreden, elke drankbestelling, elk vriendje, elke verbouwing van alweer een nieuw huis en elk honorarium dat Reve vroeg of kreeg, heeft hij zorgvuldig uitgeplozen, wat zeer toe te juichen is voor een biograaf. Maar of die biografie dan ook aan kracht wint door al die krantenartikelen, elke reactie op een optreden, de naam van de wijn, elke troffel en elke cent dan ook te vermelden, compleet met datum en uur, dat valt nog maar te bezien. Moet ik weten wat Reve deed op 20 september 1963 om 15.30 uur (‘Henkie naaien’)? Moet ik weten wat Van Oorschot rekende voor een niet of wel gebonden boek? En zo gaat het de hele biografie maar door.

Misschien is het daarom dat Nop Maas de biografie als ondertitel Kroniek van een schuldig leven heeft meegegeven en zijn boeken niet als biografie afficheert. Maar toch. De kleur van de onderbroeken van Reve, diens talloze huilbuien en excessieve woede-uitvallen, per uur vermeld, diens toenemend narcisme en wanhoop over het leven (‘wat een moeras, het menselijk bestaan’): het is te veel, veel te veel voor een gewoon mens. Maar wat ik vooral mis, is een — al was het maar een lichte — poging tot duiding, zowel van gedrag als van de ongelooflijke auteur die Reve was. Maas haalt Reve aan als hij zegt dat hij de creativiteit en ‘de religieuze heimwee naar het absolute’ van zijn moeder heeft en ‘een groot deel van mijn begaafdheid , mijn intelligentsie, en vooral mijn mateloze egocentrische geldingsdrang’ van zijn vader, Gerard Vanter. Maar ja, dat geldt ook voor Karel van het Reve en die heeft zijn talenten toch op een heel andere manier aangewend. Hoe dit onverbiddelijke schisma tussen beide begaafde broers te verklaren?

Als biograaf mist Nop Maas de grote greep, het — letterlijk — boven zijn materiaal staan. Gelukkig citeert Maas veel, ook veel onbekende, uitspraken en stukken van Reve. Dit tweede deel van de biografie wordt dan ook vooral gered, hoe komisch het ook moge klinken, door Reve zelf. Al die schitterende metaforen, geestige omschrijvingen (‘de gemotoriseerde relletjesvoyeur Mulisch’), diepgravende beschouwingen over zijn eigen invulling van het katholicisme, al zijn kwellingen: opeens realiseer je je weer dat Reve met zijn meesterwerken De avonden, Op weg naar het einde en Nader tot u echt de grootste na-oorlogse schrijver van Nederland is en in elk geval de Nederlandse literatuur voorgoed heeft veranderd.

Zelfkwelling en onmogelijke situaties

In deze jaren 1962 — 1975 stijgt weliswaar zijn roem tot grote hoogte en is hij een veelgevraagd spreker op ‘de verrekijk’, maar hij noemt het zelf ‘rampjaren’. En dat is tot bepaalde hoogte zeker waar, ook voor zijn trouwe lezers: met de toename van zijn roem en de consumptie van alcohol, daalt zijn kritisch vermogen ten opzichte van zijn werk en zichzelf. My god, wat een gekweld en vaak onmogelijk mens stijgt uit deze 820 bladzijden op. Nop Maas moet op het laatst, als Reve in Frankrijk woont, melden: ‘De combinatie van een paranoïde inslag, een tiranniek karakter en een sadomasochistische aanleg leidde, al dan niet gestimuleerd door onstuimig drankgebruik, geregeld tot onmogelijke situaties en uitbarstingen van razernij, waarin hij een gevaar was voor zichzelf en zijn omgeving.’ Treurig was ook zijn liefdesleven, hij stortte zich van de ene uitzichtloze liefde in de andere, want Reve wilde in die jaren zeventig niet het besef toelaten dat hij ‘oud en passé’ was.

Terwijl zijn leven in 1962 toch aardig startte met zijn grote liefde Teigetje (Wim van Albada), waar later Woelrat (Van Manen) nog bij kwam. Maar ook zijn alcoholisme nam hand over hand toe. Na zijn angstdelirium op 12 augustus 1966 (ja, ik doe ook maar mee met de nauwkeurige vermelding) waardoor hij in het Wilhelmina-ziekenhuis in Assen belandde, was stoppen met drinken nog niet een optie:

‘Hoe kan ik, smiddags achter een raam, met buiten motregen, anders naar buiten staan te turen dan, met in mijn hand, opgeheven tegen het bleke licht, een glas rode wijn? Alkohol is mijn vijand, maar ik kan niet leven zonder de Geest, en de Vervoering die de Wijn geeft. Vraag daar God maar eens een antwoord op. Hoe zou ik de gul aangeboden Tiet van de Allerheiligste Maagd Zelve, mogen weigeren en wegduwen?’

Maar diezelfde alcohol zou zijn leven wél voor een deel ruïneren. Om de schadelijke effecten ervan iets binnen de perken te houden, kreeg hij van zijn arts ‘de mixtuur van dope (Benzedrine) laxons (Aloe) en kalmering (luminal). Zo nodig ook chloraal voor acute deliren’. Het lijkt de arts van Michael Jackson wel.

Niet de literatuur, maar de jongens

Al wat wij al uitvoerig bij Reve zelf hebben gelezen, passeert de revue: het Ezelsproces, zijn fikse trap tegen ‘de ongebakken deegsliert’ Simon Vinkenoog tijdens een dichtersfestival in Leeuwarden, zijn beroemde optreden in Mies en scène, de Kus van Klompé, zijn vreemdgaan bij uitgever Thomas Rap met Veertien etsen van Frans Lodewijk Pannekoek voor arbeiders verklaard door Gerard Kornelis van het Reve en daarna bij Johan Polak met De taal der liefde en Lieve jongens, waarbij Van Oorschot het nakijken had, zijn rechtse opvattingen over Vietnam en de gekleurde medemens, zijn huizen in Greonterp, Veenendaal, Weert en Frankrijk. Maar waar je vooral over struikelt zijn de stoeten jongens, vaak met naam en toenaam en vaak maar one night stands, die aan je voorbij trekken. Reve was geobsedeerd door seks en nog eens seks, wat hij verklaarde door zijn angst voor de dood.

Maar daardoor vond hij vaak niet de rust en de tijd om te schrijven, of liever nog: ging zijn schrijven alleen nog maar over die jongens en seks. Uiteindelijk kreeg de lezer daar genoeg van, zijn populariteit nam in de jaren zeventig duidelijk af. Deze biografie lezend vraag je je af: wat als Reve niet zo’n hyperactieve homoseksueel was geweest? Zou hij dan meer meesterwerken hebben geschreven? Waarschijnlijk niet, en waren het juist meesterwerken omdat hij een gekwelde homoseksueel was. Maar zijn laatste boeken zouden dan wel beter zijn geweest.

Het was overigens de familie Van Oorschot die hem aan zijn huis in Frankrijk hielp, en Reve probeerde hen dan ook weer te vleien: ‘Je kunt er ook op rekenen dat ik, als ik bijvoorbeeld een kip vind die kan klokkijken, of een lampje dat nooit meer uitgaat, dat ik die dan aan jullie geef, meteen.’ Maar je wordt weer treurig als je over al dat eigenhandig verbouwen van Reve leest — hij had die tijd toch beter kunnen gebruiken met schrijven? — en hoe lelijk dat huis in Le Poët-Laval eigenlijk is. Bovendien laten zijn geliefden Teigetje en Woelrat het steeds meer afweten en zit hij daar maar in zijn eentje in Frankrijk. Met werkelijk iedereen heeft hij nu ruzie, zelfs met zijn ex-echtgenote Hanny Michaelis. En maar reageren op contactadvertenties, of ze zelf zetten: je wilt het niet weten.

Maas schrijft dat in die jaren Reve geheel stuurloos is. Maar de lezer van dit tweede deel van de biografie van Reve is dat al eerder door al die feiten en feitjes die Maas ons voorschotelt. Dat Reve zijn eigen leven en schrijverschap zelf te gronde richtte, dat maakt Maas in elk geval wel duidelijk. En dat is op zich al een grote verdienste.

Rudi Wester schreef jarenlang over Franse literatuur voor onder andere Vrij Nederland en interviewde vrijwel alle grote Franse auteurs en vervulde verschillende directeursposities bij culturele instellingen. Rudi Wester heeft carte blanche - ze kiest vrijelijk uit de collectie van Athenaeum Boekhandel titels om over te schrijven.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum