Recensie: Wegwijzers in poëzieland

30 november 2015 , door Marleen Louter
| | | | | | | | | | | | |

Poëzietijdschriften in Nederland vervullen een belangrijke functie binnen de poëziewereld, maar vanaf de achtergrond. Awater, de Poëziekrant en Het Liegend Konijn signaleren nieuwe titels, brengen dichters voor het voetlicht maar schromen ook niet de diepte in te gaan over een bepaalde dichtregel. En dat niet zelden allemaal in hetzelfde nummer. Zo brengen ze poëzie dichter bij hun lezers – niet alleen abonnees, maar ook nieuwsgierige snuffelaars in boekhandels en bibliotheken – en bieden ze een dwarsdoorsnede van de actuele Nederlandse poëzie. Zo ook het winternummer van Awater. Door marleen louter.

Waar een dichtbundel vaak een hecht en zorgvuldig bouwwerk is van toon, woordkeus en ritme, daar staan in deze Awater poëtische ernst en vrolijke nuchterheid al meteen aan het begin dicht bij elkaar. Het doorwrochte – maar met vaart geschreven – stuk van Piet Gerbrandy over de bundel Equinox en de Gedichtendagbundel Aan schor en Stad Niks voorbij van de Friese dichter Tsjêbbe Hettinga, wordt vrijwel direct gevolgd door een lichtvoetig en openhartig interview met Anton Korteweg, ex-directeur van het Letterkundig museum en dichter. Hij vertelt over het geluk van ouder worden, over zijn toepasselijke bundel Ouderen zijn het gelukkigst en over – de bottom line van het interview – zelfironie: ‘Voor mijzelf is dichten wezenlijk, maar je moet niet doen alsof het hele land ieder jaar op een bundel van jou zit te wachten.’

Het is kenmerkend voor dit nummer van Awater, dat een veelkleurige verzameling artikelen bevat. Hier en daar kan daar het nodige op aangemerkt worden, zoals op Maria Barnas’ bespreking van de door Ilja Leonard Pfeijffer samengestelde Lucebert-bloemlezing er is alles in de wereld, waarbij ze wel erg kort door de bocht gaat: ‘Jaar in jaar uit, bundel in, bundel uit, slaat hij de toon aan van een oudere man met een slok te veel op, die weet hoe de wereld in elkaar steekt.’ En op het artikel in de rubriek ‘Nieuwe dichters’ over de Roemeense dichter Daniel Banulescu, waarin maar niet duidelijk wil worden waarom de poëzie van deze volstrekt onbekende Oost-Europeaan nu de moeite waard is om mee kennis te maken.

De hoogtepunten in dit nummer van Awater moeten dan ook vooral worden gezocht in de rubrieken waarin het meer direct de poëzie zelf betreft. Wanneer die het woord krijgt, komt het tijdschrift echt tot leven. De bijdrage van dichteres Hagar Peeters springt er bijvoorbeeld uit, met onder andere drie gedichten onder de titel Drie portretten in schoolbordkrijt, vrij naar Federico García Lorca. Daarin weet ze prachtig de toon te treffen van een liefdevolle maar strenge leermeester:

‘Scholier met je grasgroene stem!
Ik loof niet je onvolkomen pronkspraak,
niet je taal die flirt met de taal van je straat,
met de merktekens van je tijd,
ik roem je hunker naar beraamde alwetendheid.

Je bent een proefondervindelijke ziel, je leeft op glad terrein.
Je betreedt tastend je weg, nog niet sleets van je ervaring,
je vindingrijkheid loopt tot waar je vingertoppen reiken,
aan het vel papier geniet je van het motet van je brein.

De wereld bestaat uit raadsels en onzekerheid,
bij de eerste aanvaring uit angst door anderen overstemd.
Maar sterren die havens voor het oog verbergen,
lichten op om jou alleen de weg te wijzen.
[…]’

Een hoogtepunt van een heel andere orde is het verslag van ‘Poetry Zwem’, een ludiek onderdeel van het Wintertuinfestival in Nijmegen waar dichters aan de rand van het zwembad hun poëzie voorlezen, daarbij begeleid door een waterballet: een speciaal afgestemde choreografie die door schoonzwemsters wordt uitgevoerd. Gedurende de middag maakt ook bij de verslaggeefster sarcasme plaats voor bewondering. Of zoals Ilja Leonard Pfeijffer het in Awater verwoordt: ‘Ik dacht vanmiddag nog: “Ik gá niet voorlezen in een zwembad. En dan heb je ineens een van de meest poëtische gebeurtenissen van het jaar.”’

Verder presenteert Awater in dit nummer Arjen Duinker met zijn bundel Buurtkinderen als winnaar van de Awater-poëzieprijs 2009. Daarnaast presenteren verschillende medewerkers hun lijstjes met favoriete bundels van het afgelopen jaar. Ook hier is Arjen Duinker de meest genoemde favoriet, na Marc Kregting met Zoem! Evoluties en Robert Anker met gemraad slasser d.d.t. Dat is interessant, maar tegelijkertijd ook enigszins achterhaald nu het festival van jaarlijstjes en poëzieprijzen wel zo’n beetje achter de rug lijkt. Waardevoller is wat mij betreft dan ook de bespreking van nieuwe dichtbundels, een rubriek die met twaalf pagina’s een substantieel deel vormt van Awater. De besprekingen, door onder meer Marja Pruis, Hanz Mirck en Edwin Fagel, zijn haast voorbeeldig; de Awater-recensenten tonen oog voor het karakter, het eigene van iedere afzonderlijke bundel en hun oordeel is bijna zonder uitzondering scherp geformuleerd en evenwichtig; met ruimte voor interpretatie, bespreking van stijl en persoonlijke poëtische beleving.

Enthousiasme, liefde en interesse voor poëzie, daarop lijkt Awater te drijven, met een redactie die bovendien kennis van zaken heeft. Niettemin verschilt het niveau van de artikelen onderling nogal, maar tegelijkertijd heeft het tijdschrift daardoor iedere poëzieliefhebber – dus ook de beginnende – iets te bieden. Zelfs minister Ronald Plasterk heeft zich voor het tijdschrift dan ook gezet aan het dichten van een vers: ‘Geachte rijmer des vaderlands,/ helaas geen tijd voor een antwoord-sonnet,/ maar een kwatrijn dat redt een politicus net […]’.

Poëzie is er kennelijk echt voor iedereen, en dat is goed nieuws.

Marleen Louter is neerlandica. Ze schrijft recensies voor Recensieweb.nl.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum