Recensie: De kleine brigade

30 november 2015 , door Karlijn de Winter
| |

Een spel? Nee, dat is echt uit den boze. De drie elfjarige jongetjes uit Palermo, hoofdpersonen van Giorgio Vasta’s (1970) debuutroman De materiële tijd (Il tempo materiale, vertaald door Marieke van Laake), nemen hun taak uiterst serieus. We spreken 1978, Italië is in de greep van de Rode Brigades, de extreem-linkse terreurgroep die de ontvoering en later moord van voormalig eerste minister Aldo Moro op hun geweten hebben. Wat de drie Siciliaanse prepubertjes daarmee te maken hebben? Zij spiegelen zich aan de brigadisten in Rome, en daar gaan ze ver in, heel ver. Door karlijn de winter

Dwingende communiqués

Tijdens een spreekbeurt op school noemde de juf de ik-verteller ooit ‘mythopoietisch’. Dat betekent 'hij die woorden produceert', ontdekt hij later, en hij is er vereerd mee. Hij zet, zegt hij in zijn keurige grotemensentaal, ‘verschijnselen om in woorden’. In tegenstelling tot hun ‘dialectische’ klasgenoten spreken hij en zijn vrienden in onberispelijk Italiaans:

‘... hoeveel genot het kan geven om je in woorden te bewegen, tijd in taal door te brengen. Weggaan door zinnen te bouwen. Je isoleren. Want de consequentie van onze manier van uitdrukken – de ingetogen toon, het lage volume, elk woord vlak, scherp omlijnd, rustig en toch vol verzet – is dat onze klasgenoten ons niet meer herkennen. Voor hen zijn we abnormaliteiten. Idioten.’

Mooipraterij is het niet, wat de jongens met taal doen. Vasta’s zinnen zijn evenmin een toonbeeld van esthetisch genot: ze zijn stug, ijskoud en meedogenloos. In De materiële tijd heeft taal weinig met kunst te maken, maar geeft taal uitdrukking aan macht en onmacht. Niet voor niets merkt een van de jongens op dat de Rode Brigades de enigen zijn die net zo praten als zij: ‘Hun communiqués zijn ingewikkeld, hun zinnen lang en sterk.’ Je kunt er niet onderuit, net zomin als Palermo deze drie jongens nog kan negeren wanneer ze zich als heuse brigadistjes beginnen te organiseren.

Alfabet zonder woorden

Ze trekken zich aan de Rode Brigades op. Die dwingende communiqués, die opeenvolging van zorgvuldig gecoördineerde acties, dat willen ze ook. Als ze het maar systematisch aanpakken, dan komt heel hun school, heel Palermo en straks heel Italië vanzelf in hun greep. Waar de Rode Brigades precies voor staan dat weten ze weliswaar niet (behalve dat het ‘iets met de dood te maken heeft’ en ‘dat erover gepraat wordt’), maar toch zijn ze rotsvast overtuigd van de ideologie van waaruit ze strijden. Dit is niet zomaar rovertje spelen.

Koelbloedig beschrijft Vasta hoe dit groepje vrienden, pardon, ‘kameraden’, in een halfjaar uitgroeit tot een gewelddadige actiegroep. Kameraad Nimbus, kameraad Straal en kameraad Vlucht, zo noemen ze zich. De eerste stap is namelijk de taal ontmantelen, en daarvoor in de plaats nieuwe woorden brengen. Ze ontwikkelen een eigen geheimtaal, het Alfastil: een stille taal, bestaande uit lichaamshoudingen, die maar 21 tekens kent. Ze moeten daardoor harde keuzes maken:

‘”We moeten het woord ‘angst’ ook opnemen,” zeg ik.
“Nee,” zegt Bocca en stopt dan, denkt erover na, weet dat het gewaagd is, maar gaat door.
“Nee,” zegt hij zachtjes.
‘Waarom niet?” vraagt Scarmiglia hem.
“Omdat er woorden zijn die je beter niet kunt hebben.”’

Waarom, waartoe?

Zoals de jongens woorden, ervaringen uit hun taal bannen, zo kleden ze ook hun gedachtenwereld uit. Vasta registreert hun daden, die beginnen met diefstal van gummetjes en sweatshirts in de klas en eindigen bij brandstichting, ontvoering en marteling van een klasgenootje. Voor het waarom, een schuldvraag of enige achterliggende gedachte is geen plek.

Ideologie, daar dwepen de jongens mee, maar waar staat hun ideologie voor? Wat willen ze bereiken met hun gruweldaden? Dat komt niet ter sprake. Dit is geen misser in de roman, maar juist waarom hij zo onthutst: Vasta toont hoe geweld iets ontontkoombaars wordt, waarbij het waarom en waartoe volledig uit het oog raakt. Zelfs al zijn de plegers van het geweld nog maar elf.

Pratende zwerfkat

Maar de ik-verteller blijft een mythopoieet: terwijl de acties extremer worden, en er minder en minder plaats is voor uitleg of verantwoording, voelt hij zich steeds meer bekneld. Niet dat hij dit uitspreekt, hij beschikt niet meer over de nodige woorden, maar zijn houding wordt alsmaar passiever. En dan dringt er ineens fantasy het verhaal binnen: een mug, een duif, een schurftige kat met een manke poot beginnen op hem in te praten. Zij laten hem nadenken over schuld, en de onlogica van hun geweldsacties.

Daarmee sluipt uiteindelijk toch ironie in de roman. Uitgerekend het onbenulligste ongedierte kijkt van een afstandje toe op de ik-verteller en laat hem inzien met wat voor idiotie hij zich eigenlijk bezig heeft gehouden. Zal deze elfjarige zijn taal, en zijn kinderlijke vrijheid om te spelen en te fantaseren weer terugvinden? Vasta zelf laat zich in elk geval niets opleggen. Met deze gedurfde roman, en een uitbundig slothoofdstuk, laat hij zien dat hij het meest mythopoietisch van al is.

Karlijn de Winter studeerde communicatie- en informatiewetenschappen aan de VU te Amsterdam en Italiaanse taal en cultuur aan de Universiteit Utrecht. Op dit moment werkt ze als freelance tekstschrijver. Daarnaast is ze redactielid van Recensieweb.nl.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum