Recensie: Descartes' wezenlijke regel was niet altijd raak

28 november 2011 , door Valentijn van Dijk
| | |

‘... doordat hij alleen het Cogito ergo sum als echt zeker, en het bestaan van de wereld voorlopig nog als problematisch beschouwde, vond hij het wezenlijke en enig juiste uitgangspunt, en tegelijk de ware basis van alle filosofie,’ schreef Schopenhauer in 1818 over het beroemde en beruchte ‘Ik denk dus ik besta’ van Descartes. Als derde deel van het Verzameld Werk van Descartes is Over de Methode, waarin deze gedachte voor het eerst voorkomt, nu gebundeld met de drie essays waar het als inleiding voor bedoeld was, over optica, meteorologie en geometrie. Door valentijn van dijk.

De esprit cartésien: raak!

Descartes is in de eerste plaats een analytisch denker, wat wil zeggen dat hij probeerde problemen in deelproblemen op te splitsen, totdat je bij evidente waarheden uitkwam die ‘claire et distincte’ waren, om het geheel daarna weer samen te voegen tot een oplossing. Zelf was hij ervan overtuigd dat hij, door dit aan de wiskunde ontleende principe als algemeen hulpmiddel voor het denken in te zetten, in staat zou zijn om elk willekeurig domein van de werkelijkheid te doorgronden.

Een ander basisprincipe uit de Methode is de systematische twijfel: ervan uitgaan dat elke zekerheid die je denkt te hebben onwaar is, totdat je je door analyse van het tegendeel kunt overtuigen. Descartes waagde zich, in een tijd dat specialisatie al zijn intrede had gedaan in de wetenschappen, op velerlei terreinen, met wisselend succes.

In de Optica, het eerste essay, leidt hij bijvoorbeeld op buitengewoon ingenieuze wijze de brekingswet voor licht af, onafhankelijk van Snellius, naar wie die wet genoemd is. In het tweede essay, Meteoren, geeft hij een fysische verklaring voor het ontstaan  van regenbogen, die in essentie correct is. Het is interessant om dan weer terug te gaan naar de Methode. Descartes schrijft over de relatie tussen oorzaken, die hij postuleert, en gevolgen, die we waarnemen, zoals een regenboog: ‘Aangezien de ervaring over het merendeel van deze gevolgen een grote zekerheid verschaft, dienen de oorzaken waaruit ik ze afleid niet zozeer om deze gevolgen te bewijzen als wel om ze te verklaren – het zijn, andersom, juist de oorzaken die bewezen worden door de gevolgen.’

En mis…

Helaas betoonde Descartes zich hier overoptimistisch. Er kunnen namelijk meerdere, onderling sterk verschillende, en op zich best consistente verklaringen gevonden worden van bepaalde feiten, maar dat maakt ze nog niet allemaal reëel. Op andere terreinen slaat Descartes dan ook de plank enorm mis. In de optica gaat hij er bijvoorbeeld vanuit dat de werking die een lichtstraal op het oog uitoefent, vergelijkbaar is met de stok waarmee een blinde op afstand kan ‘voelen’. Via de lichtstraal ‘drukt’ een waargenomen object, in een als volledig gevuld gedacht medium op ons netvlies; in die visie is de lichtsnelheid dus oneindig groot, de waarneming is onmiddellijk.

In tegenstelling to Descartes combineerden Galilei en velen na hem theorie veel consequenter met experimenten, om de voorspellende waarde van hun modellen na te gaan, en bleven zo dichter bij de werkelijkheid. Zo had Galilei niet alleen wel het juiste idee dat de lichtsnelheid eindig was, maar bedacht bovendien experimenten waarmee je hem zou kunnen meten.  

Descartes was een van de eersten die het belang inzag van Harvey’s ontdekking en beschrijving van de bloedsomloop in 1628. Toch accepteerde hij Harvey’s beschrijving maar half, en formuleerde in Over de Methode een ingenieus maar onrealistisch alternatief, dat deels door traditie werd ingegeven, en niet door de feiten. Op veel terreinen blijft Descartes, ondanks het principe van de systematische twijfel, hangen in oudere scholastische opvattingen. Ook Schopenhauer constateerde al dat ‘Descartes weliswaar de indruk wekt alsof hij de ketenen van vroeg ingeprente, bij zijn tijd en land horende meningen in één keer wilde afwerpen, maar enkel net alsof deed, eventjes, om ze daarna weer op te nemen en er des te sterker aan vast te houden’.

Nog steeds controversieel

Al sinds de zeventiende eeuw is Descartes dan ook sterk bekritiseerd, en niet alleen om zijn soms al te fantastische natuurwetenschap.  De inleiding van dit deel door Han van Ruler laat zich lezen als een apologie van het gezichtspunt van Descartes, en wijst op een herwaardering van zijn werk die zich momenteel weer voltrekt. Feit is dat Descartes nog steeds de meningen verdeelt – sommigen wijzen er terecht op dat veel van de analytische principes die Descartes formuleert tot het basisinstrumentarium van de wetenschappelijke methode zijn gaan behoren, terwijl anderen in de megalomanie van Descartes een voorbode ontdekken van de overtrokken claims van diezelfde analytische variant van wetenschap. Descartes’ vorm van dualisme wordt binnen de filosofie meestal als opmaat voor de modernere formulering door Kant beschouwd, en door recentere auteurs, zoals Heidegger, ook als bron van veel misverstanden. Maar juist omdat Descartes zo’n centrale plaats inneemt in deze debatten, is het prachtig om nu de Methode in de context van de essays te kunnen bestuderen.

Voor deze editie heeft Jeanne Holierhoek Boom’s bestaande vertaling van Over de methode, van Theo Verbeek, bewerkt. Haar vertaling van de drie essays is nieuw. Zij heeft hulp gekregen van een redactie, die het boek voorzag van een uitgebreid notenapparaat. Bij het laatste deel, Geometrie, is er een door Henk Bos geschreven nawoord ter verheldering. Descartes was behalve filosoof ook wiskundige, en dit derde essay is historisch het meest invloedrijke, het stond aan de wieg van een belangrijke tak van de wiskunde, de analytische meetkunde. Het notenapparaat bij dit deel is voor een lezer met alleen middelbare schoolwiskunde hier en daar wel lastig te volgen, de gegeven wiskundige afleidingen zijn vrij summier. Toch is het al met al een prachtige uitgave: iedereen bij wie de exacte vakken nog niet zijn weggezakt, kan een belangrijk moment in hun formulering nu zelf  ‘bijwonen’,  en dat is de moeite van de inspanning meer dan waard.

Valentijn van Dijk is wetenschapsjournalist en vertaler.

MINDBOOKSATH : athenaeum