Recensie: Door zeilen gedeeld wereldcentrum

30 november 2015 , door Misha Velthuis
| | | | | | |

‘Beschouw het volgende als een beknopte toelichting op eventuele krantenkoppen in de nabije toekomst.’ Dit bruggetje zit verstopt tussen twee kleine paragrafen halverwege Robert D. Kaplans Moesson. De Indische Oceaan en de toekomstige wereldmachten (Monsoon, vertaald door Margreet de Boer). Afgezien van ‘beknopt’ is deze uitspraak echter een perfecte introductie voor het hele boek - Kaplans vierhonderd pagina’s tellende verslag van zijn reis rond de Indische Oceaan is een interessante en welkome aanvulling op de buitenlandpagina’s die we van het komende decennium kunnen verwachten. Door misha velthuis.

N.B. Robert Kaplan bezoekt 8 februari het John Adams Institute.

Als buitenlandcorrespondent, schrijver en beleidsadviseur beschikt de Amerikaanse Kaplan over een behoorlijke portfolio. Zijn werk over onder andere de Balkan en het Midden-Oosten bereikte een groot publiek en werd tot in de hoogste politieke regionen gewaardeerd. Dit keer richt hij zijn gouden pijlen op de Indische Oceaan. Want hier zal zich de komende tijd de wereldgeschiedenis voltrekken. Niet Europa, niet de Atlantische oceaan, maar de Indische oceaan zal het toneel zijn voor het grote geopolitieke spel van de eenentwintigste eeuw, stelt hij. Om een beeld te krijgen van de situatie op de grond meert hij achtereenvolgens aan in het Midden-Oosten, India, Zuidoost Azië en Oost Afrika. De ervaringen en indrukken die hij gedurende deze reis opdoet vormen de basis van zijn boek.

De moesson als gemene deler

Eeuwenlang waren de moessonwinden de drijvende kracht achter de uitwisseling van mensen, goederen en ideeën tussen Kaplans aanlegplaatsen. Met de sterke noordoostenwind wind in de winter, en de krachtige zuidwestenwind in de zomer schoten de zeilschepen over de Indische oceaan. Deze economische, culturele en politieke interactie legde de basis voor de huidige uni- en pluriformiteit langs de Indische oceaan.

Zo leidde de verspreiding van de Islam tot de gedeelde normen en waarden waar een internationaal handelssysteem op kon floreren, en leidde de grootschalige migratie tot vermenging van bevolkingsgroepen en culturen. En zelfs nu het zeil vervangen is door de dieselmotor is de invloed van de moesson op het gebied groot: niet meer als drijvende kracht achter de interactie, maar als het belangrijkste klimatologische proces in de regio. Gefascineerd door de impact van de jaarlijkse regentijd op zijn onderzoeksgebied schrijft Kaplan:

‘In onze kleiner wordende wereld moet ook in het Westen het besef groeien waar de Moesson, in de brede betekenis van het woord, voor staat en welke invloed die op allerlei aspecten van het leven heeft.’

Kaplan gaat niet verder in op deze brede interpretatie van de Moesson, maar laat de thematiek voor zichzelf spreken. Het gaat hem om de bovenbeschreven impact van fysische geografie op de culturele, economische en politieke situatie op de grond. De verwachting dat de Indische Oceaan het epicentrum van de internationale politiek wordt heeft alles te maken met de verspreiding van natuurlijke brand- en grondstoffen. De internationale economie is afhankelijk van de topografie van de kustlijn, en cultuurverschillen zijn toe te schrijven aan de verschillende klimatologische omstandigheden. Kaplan blijft gelukkig echter niet hangen in dit geografisch determinisme en benadrukt ook de rol van het individu. Zo interviewt hij een aantal bijzondere mensen die een sleutelrol spelen in de regio, en wijdt hij regelmatig uit over de markante personages die in het verleden van grote betekenis zijn geweest.

Van aanmeerplaats tot aanmeerplaats

Toch is het boek meer een reisverslag dan een geopolitieke beschouwing. Kaplan besteedt veel aandacht aan de beschrijving van zijn afzonderlijke aanmeerplaatsen: van de stedelijke ambiance tot het lokale politieke systeem. De meta-analyses beslaan daarentegen een kleiner deel van het boek, en zijn minder uitgewerkt dan je op basis Kaplans beleidsachtergrond zou verwachten. Deze ideografische aanpak leidt zonder meer tot veel interessante inzichten in de lokale omstandigheden, maar heeft als gevolg dat je als lezer soms het gevoel hebt dat je verdrinkt in een ‘oceaan’ van kleine case studies; je verlangt regelmatig naar een theoretische kapstok om de grote hoeveelheid informatie aan op te hangen. Daarbij mist het boek een duidelijke lijn, en hangen de hoofdstukken en paragrafen niet altijd even duidelijk samen.

Dit heeft vermoedelijk minder te maken met Kaplans schrijfstijl dan met de keuze van zijn onderwerp. Toegegeven, de landen langs de Indische Oceaan delen een aantal interessante overeenkomstigheden. Maar het gebrek aan samenhang en systematiek in Kaplans verslag wijst erop dat zijn poging om zo’n enorm en divers gebied in één reisverslag samen te vatten misschien een beetje overmoedig is geweest.

Dat de Indische Oceaan een belangrijke rol zal spelen in de eenentwintigste eeuw weet Kaplan echter overtuigend te onderbouwen. Dat we daarom behoefte hebben aan meer achtergrondkennis van de belangrijkste landen rondom de Indische Oceaan is overduidelijk, en Kaplans boek voorziet ons daarin. Van Oman tot Birma, en van Indonesië tot Tanzania schetst Kaplan een intrigerend beeld van een turbulente wereld. In combinatie met andere boeken over de regio zoals Farid Zakaria’s The Post-American World vormt Moesson de perfecte voorbereiding op de buitenlandpagina’s van de komende decennia.

Misha Velthuis studeerde Fysische Geografie (BA) en Politicologie, richting Internationale Betrekkingen (MA). Momenteel verzorgt hij werkgroepen politicologie aan de UvA.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum