Recensie: Een verdiende plaats in het spectrum van Romeinse geschiedschrijvers

30 november 2015 , door Patrick Gouw
| | | |

Kan een slecht historicus een waardevol boek schrijven? Ja, wanneer hij ooggetuige blijkt te zijn geweest van belangrijke gebeurtenissen en moderne maatstaven voor historisch onderzoek worden losgelaten. Voor het eerst is het geschiedwerk van een tijdgenoot van de Romeinse keizers Augustus en Tiberius in het Nederlands vertaald als Van Troje tot Tiberius. Historici zijn sceptisch; onbekend maakt nu eenmaal onbemind, maar in het geval van Velleius Paterculus is dat niet terecht. Door patrick gouw.

In de Romeinse geschiedenis wordt het jaar 133 v. Chr. vaak als een sleutelmoment voorgesteld. Met de moord op de volkstribuun en landhervormer Tiberius Sempronius Gracchus kwam er een einde aan de illusie dat de gerezen politieke meningsverschillen in de senaat zich zonder geweld lieten oplossen. In de daaropvolgende eeuw zouden de facties van de zogenaamde optimaten en populares elkaar in toenemende mate gewapenderhand bestrijden en het republikeinse staatsbestel meesleuren in hun streven naar de macht.

Door antieke commentatoren is dit proces bijna unaniem in termen van normvervaging en morele achteruitgang beschreven:

‘Dit was in Rome het begin van bloedvergieten onder burgers en straffeloos wapengeweld. Sindsdien delfde recht het onderspit tegen geweld en golden mensen met macht als de besten … Oorlog begon men niet meer op juiste gronden, maar al naar gelang de te verwachten winst … is men eenmaal afgedwaald van het rechte pad, dan gaat het razendsnel bergafwaarts, en niemand vindt iets schandelijk voor zichzelf wanneer het een ander voordeel heeft gebracht.’

Aan het woord is dit keer niet een bekende geschiedschrijver als Sallustius, Livius of Tacitus, maar een auteur wiens naam bij velen niet direct herkenning zal oproepen. De passage is afkomstig uit de koker van Velleius Paterculus, een Romeins senator en militair uit de stad Capua. Hij schreef rond 30 n. Chr. zijn Historia Romana (hier vertaald als Van Troje tot Tiberius), ter ere van het consulaat van zijn goede vriend Marcus Vinicius. In deze gelegenheidsuitgave combineert hij eerder verzameld bronnenmateriaal voor een geschiedkundig werk met persoonlijke anekdotes over hen beiden, hoofdzakelijk afkomstig uit de militaire campagnes waaraan ze gezamenlijk hadden deelgenomen.

Een verdiende plaats in het spectrum

Hoewel de titel anders doet vermoeden, behandelt Velleius meer dan twee millennia wereldgeschiedenis, met boeiende terzijdes over filosofie, literatuur en toneel die zijn militair-politieke kernverhaal afwisselen. Slechts een klein deel van het werk is echter overgeleverd, hoofdzakelijk de boeken over de late Republiek en de vroege Keizertijd.

Moderne historici hebben lange tijd vrij negatief over het werk geoordeeld. Er is Velleius vooral verweten dat hij methodologisch weinig onderlegd was, zeker in vergelijking met andere antieke auteurs. Zo legt hij geen enkele interesse aan de dag voor het verklaren van de gebeurtenissen die hij beschrijft. Waar Herodotus wilde onderzoeken door welke oorzaak de Grieken en Perzen met elkaar in conflict waren gekomen en Thucydides in zijn analyse van de Peloponnesische Oorlog een onderscheid maakte tussen ‘oorzaken’ en ‘aanleidingen’, zo is Velleius simpelweg tevreden met het chronologisch ordenen van de feiten, zonder enige interpretatie. Verslaglegging in elegant proza heeft daarbij voor hem geen hoge prioriteit.

Maar Velleius mag dan niet de grootste historicus van de Oudheid zijn geweest, als historische bron is hij wel degelijk van belang. Als enige contemporaine bron schetst hij immers een doorlopend verhaal van de late Republiek en de heerschappij van  Augustus en Tiberius, een intrigerende en bepalende periode uit de Romeinse geschiedenis. Dat hij nu tot ons spreekt via vertaler Vincent Hunink is niet alleen een groot genoegen, maar geeft hem ook een verdiende plaats in het spectrum van gekende Romeinse geschiedschrijvers.

‘Mijn hart bonst en trilt van verontwaardiging!’

Hij hanteert daarnaast een duidelijke moralistische geschiedopvatting: het verleden wordt aangewend om lof en blaam toe te kennen, opdat de mensen tot beter gedrag gebracht kunnen worden. Daarbij gaat het er soms ongemeen fel en persoonlijk aan toe, bijvoorbeeld wanneer een oordeel gegeven wordt over de kwalijke rol van Marcus Antonius in de dood van Cicero:

‘Toch heb jij niets bereikt, Marcus Antonius! (Ja, ik voel mij gedwongen het kader van mijn geplande werk te buiten te gaan, mijn hart bonst en trilt van verontwaardiging!) Niets, ik herhaal het, heb jij bereikt door een premie uit te loven voor het afhakken van dat luisterrijke hoofd met die hemelse stem, niets door je lugubere loon om mensen aan te stichten tot moord op de man die ooit Redder des Vaderlands was, een consul van zulk formaat.’

Hoewel Velleius in gevallen als deze aantoonbaar partijdig te werk gaat, sluit hij zijn ogen niet geheel voor de politieke en ideologische manipulaties van mannen als Sulla, Caesar en anderen. Dit geldt in het bijzonder voor zijn beoordeling van de heerschappij van Octavianus/Augustus, die - hoewel her en der niet van lof gespeend - toch ook gepaard gaat met een vorm van indirecte geformuleerde kritiek.

Het zijn deze passages die de Historia Romana kleur geven en het tot een interessant en informatief geschiedwerk maken. Waar meer erkende auteurs als Tacitus, Suetonius en Cassius Dio de eerste keizer vele decennia na dato (en met kennis van de afloop) kenschetsen, heeft Velleius diens opkomst bewust meegemaakt. Via hem kunnen we ons een goed beeld vormen van de wijze waarop de machtsuitoefening door Augustus gestalte kreeg en hoe deze door tijdgenoten (en politieke tegenstanders) werd gepercipieerd.

Het mocht dan ondenkbaar zijn om in die tijd zelf openlijk een schriftelijk kritisch geluid te laten horen over het regime, maar tussen de regels door weerklinkt in Velleius’ relaas de stem van de oppositie wel degelijk door. Zo beschrijft hij hoe Augustus in zijn machtstrijd voor- en tegenstanders opofferde, hoe hij werd geconfronteerd met opstandige legers en samenzweringen, en hoe zijn dochter Julia een bijzonder losbandig leven leidde.

Vuile handen

In de verdere onderwerpkeuze ligt meer kritiek besloten. Niet de glorieuze overwinningen en triomfen op militair en architectonisch vlak (zoals beschreven in Augustus’ politieke testament, de Res Gestae) voeren de boventoon, maar juist de smerige burgeroorlog waarin Augustus vuile handen maakte en de nederlaag in de befaamde Varusslag in het Teutoburger Woud, die de keizer persoonlijk aangerekend werd. Desalniettemin is Velleius realist genoeg om te beseffen dat Augustus’ herstel van de republiek Rome in rustiger vaarwater had gebracht en de komst van een sterke man het beste was.

Waar Velleius nog enige serieuze kanttekeningen plaatste bij de heerschappij van Augustus, zo vleiend is zijn oordeel over diens opvolger Tiberius. Die kritiekloze houding, deels voortkomend uit het feit dat hij onder diens heerschappij carrière maakte, heeft zijn reputatie geen goed gedaan en is de voornaamste reden dat moderne historici hem lang als tweederangs auteur hebben beschouwd. Zijn beeld strookte simpelweg niet met dat van Tacitus en Suetonius, die deze keizer als een antieke despoot karakteriseerden. Met de rehabilitatie van Tiberius, voortkomend uit recent onderzoek, zijn echter ook de lofuitingen aan zijn adres in een positiever licht komen te staan.

Sterke en zwakke kanten

Het werk van Velleius Paterculus is nooit eerder in het Nederlands vertaald. Ongetwijfeld heeft zijn lage status in de academische wereld daar aan bijgedragen. Maar ook op stilistische gronden heeft men hem lange tijd niet de moeite van het vertalen waard gevonden. En inderdaad, zijn stijl is bij tijd en wijlen nogal onbeholpen. Daarnaast grossiert hij nogal in vaag en gewichtig taalgebruik.

Dit alles vraagt om veel doorzettings- en inlevingsvermogen bij een vertaler. Vincent Hunink slaagt daarin wonderwel en weet tot een leesbaar geheel te komen, zonder de doorgaans lange zinsconstructies van de antieke tekst geweld aan te doen. Mede door de gedegen inleiding van Jona Lendering wordt Velleius Paterculus op heldere wijze in de context van zijn eigen tijd geplaatst. Tegen die achtergrond worden zijn sterke en zwakke kanten duidelijk en dringt de onvermijdelijke conclusie zich op dat de Historia Romana een geschiedwerk is dat het verdiend om door een breed publiek gelezen te worden.

Patrick Gouw is boekverkoper Klassieke Oudheid bij Athenaeum Boekhandel en oudhistoricus. Hij promoveerde onlangs op Griekse atleten in de Romeinse Keizertijd.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum