Recensie: Geen schrijver als Nicolas Bouvier

30 november 2015 , door Esther Wils
| | |

Bij Bas Lubberhuizen is opnieuw een parel opgedoken: als vervolg op het briljante reisverhaal De wegen van de wereld (1963) brengt de uitgeverij De schorpioenvis uit, dat Nicolas Bouvier naar Sri Lanka – toen Ceylon – voert en dat hij decennia na dato schreef, in 1982, nadat een poging van tien jaar eerder hem in een diepe depressie had doen belanden. De uitstekende en blijkens haar nawoord gepassioneerde vertaler Floor Borsboom vertelt hoe Bouvier, die De schorpioenvis als zijn beste boek beschouwde, de reis van 1955 uiteindelijk met literair machtsvertoon onder de duim heeft gekregen, en dat is precies wat je terugleest. Het is een verbluffend knap portret van het eiland en zijn bewoners, mens en dier, en een even pijnlijk als meedogenloos maar ook humoristisch zelfportret, met het ruggenmerg geschreven. Door esther wils.

Taalgeweld

‘Gepatineerd door het verval en het klimaat glanst Indigo Street als een icoon. De zeewind zet hem als een fluit aan de mond, laat er gordijnen van fijn zand opwaaien die neerkletteren op het palmdak van karren en in vluchtige configuraties over de grond jagen. Soms steekt een heremietkrab, opgetild door een rukwind, hem in één keer over, ronddwarrelend als een dor blaadje en met al zijn scharen uit. Of de zon nu hoog of laag staat, het licht heeft er altijd een onderzeese, ronduit schemerige kwaliteit, alsof Indigo Street met al zijn figuranten lang geleden met man en muis is vergaan.’

Het werk van Bouvier vraagt erom geciteerd te worden. Ik ken maar één schrijver bij wie koelheid, hardheid zelfs, zo naadloos samengaat met een onwaarschijnlijke versmelting met zijn omgeving, die zo’n groot observatievermogen en verbaal talent loslaat op de wereld en zonder uitschakeling van zijn eigen persoon de dingen zo dicht nadert. Dat ging hem niet zonder kleerscheuren af, maar het oeuvre dat hij heeft achtergelaten moet ook hemzelf voldoening hebben gegeven; de ‘sincérité’ (‘oprechtheid’ maar ook ‘authenticiteit’)’ waar hij naar streefde spat van de pagina’s. Het is voor de lezer even wennen aan het virtuoze taalgeweld van zijn formuleringen, maar die worden al snel meeslepend en krijgen daarbij tegenwicht in het volstrekt ontbreken van politieke correctheid of angst voor clichés. Bouvier was geen pleaser – in tegendeel, zou ik zeggen.

De kruideniersvrouw en de opportunisten

In mei 1955 strandt Bouvier, dan 26 jaar, na een lange autoreis vanuit Zwitserland richting Oost in het oud-koloniale stadje Galle, aan de kust van Sri Lanka. Hij vindt er geen aansluiting bij de aanwezige Europeanen en raakt voor gezelschap totaal aangewezen op de plaatselijke bevolking en de overmaat aan insecten en ander ongedierte in zijn buurt. In De wegen van de wereld had Bouvier al getoond geen reserve of vooringenomenheid te bezitten jegens de verschillende volkeren en stammen die zijn pad kruisen, maar hier gaat het mis.

Ondanks zijn onbehagen over hun apathie en geestelijke traagheid, sluit Bouvier een verbond voor dagelijks gebruik met de plaatselijke bevolking, van wie alleen de massieve Tamilse kruideniersvrouw zijn sympathie en zelfs bewondering wekt: ‘In deze straat waar alles verkommert en verpietert, hebben haar vitaliteit, haar corpulentie en haar bloeiende handeltje iets van een provocatie.’

Verder spreekt in het tentje bij hem om de hoek, waar hij zich ‘laaf(t) aan thee met melk, bananen en slappe boterhammen’, uitsluitend kleine ambtenaren, geen creatieve types – de cultuur lijkt platgeslagen door het klimaat, de overmaat aan fatsoen, preutsheid en zindelijkheidsdrift. Bouvier neemt geen blad voor de mond en spaart zijn gezelschap niet; de ambtenaren, de lokale trotskisten, de boeddhistische monniken worden allen honend beticht van opportunisme – voor zover ze ergens in geloven is dat om de tijd door te komen. Bijgeloof is daarentegen allesoverheersend en houdt moeiteloos stand tegenover het Westerse wereldbeeld dat als armoedig wordt beschouwd, gemankeerd in de spirituele dimensie.

Blind overlevingsinstinct

Een fundamenteler band voelt Bouvier met de woordeloze maar in zijn ogen zeer expressieve gemeenschap van ongedierte. Die is met tomeloze energie en blind overlevingsinstinct immer aanwezig en onderweg in zijn huurkamer, waar hij stukjes schrijft om geld te verdienen, zijn dagelijkse visje kookt en ook in slapeloze uren gezelschap en studiemateriaal heeft aan spinnen, schorpioenen, eindeloze stoeten mieren en andere interessante beesten die hij met overgave en identificatie observeert.

‘Een kakkerlak op zijn rug is zo goed als verloren, en dat weet hij. Zie die trillende buik die is overgeleverd aan de waakzaamheid van alle angels, scharen, kaken en begeerten die hier zo veel leven in de brouwerij brengen; de trappelende pootjes die een droevig afscheid telegraferen, de trillerige paniek van de voelsprieten, gewaarschuwd door het geritsel van een naderend insect of de ongeduldige vlucht van een sluipwesp die net op dat moment een voorraadkast zoekt om zijn eitjes in te leggen. Het is in deze kamer waar ik me toch zo alleen voel drukker dan je denkt, en de kakkerlak telt er, godzijdank, niet louter vrienden. Het leven van insecten lijkt hierin op het onze: je hebt nog niet kennisgemaakt of er is al een winnaar en een verliezer.’

Afzondering en eenzaamheid

In het hart van het boek ontvangt Bouvier een onthutsend briefje van zijn vermeende geliefde – die misschien wel had begrepen dat hij meer een man was van het missen dan van het willen; hij was al bijna twee jaar op reis. In de reconstructie van hun romance dist de schrijver een even onvergetelijk als veelzeggend beeld op. Vol als hij is van zijn nieuwe vriendin, voelt hij de behoefte ‘iets te doen’ tijdens hun nachtelijke wandeling: ‘Ik sloeg mijn armen om de grote glanzende mast aan het eind van de pier en klom zonder enige moeite in de top. […] Zij niet groter dan een rozenstekje.’

Blijkbaar gedijde Bouvier in relatieve afzondering. Het valt ook in De wegen van de wereld op hoe zelden hij zijn reisgenoot noemt, de kunstenaar Thierry Vernet – uiteindelijk nemen ze voortijdig afscheid omdat Vernet zijn verloofde gaat opzoeken. Maar ook de geboren zwerver heeft een ankerpunt nodig, zij het een denkbeeldig. Of hij dat op het moment zelf precies zo besefte is de vraag; achteraf weet Bouvier in ieder geval met geniale zelfspot te formuleren wat hem opbrak.

‘Als ik hier de eenzaamheid was komen zoeken had ik mijn Eiland goed uitgezocht. Naarmate ik mijn houvast verloor had ik ermee leren omgaan door mijn geheugen op te frissen. Ik had in mijn hoofd meer dan genoeg plekken, momenten en gezichten om mezelf gezelschap te houden, ze op de zeespiegel te projecteren en in hun fictieve aanwezigheid verlichting te vinden voor de loden last van de dag. Die avond besefte ik opeens in totale paniek dat mijn bioscoop niet meer werkte. Vrijwel niemand op het appel, of enkel wazige, gehavende, klaaglijke schimmen. Stemmen en geuren waren vervlogen. Iets in de loop van de dag, terwijl ik me een ongeluk werkte, had ze weggekaapt. Mijn noodvoorraad was aan het verdampen. Mijn enige fortuin poetste de plaat, en achter die wilde vlucht zag ik het moment aanbreken dat er niets dan angst zou overblijven, zelfs geen echt verdriet meer. Hoezeer ik ook het vuur van enkele oude teleurstellingen opporde, er zat geen beweging meer in. Die zucht naar verdriet moet een eigenschap van de jeugd zijn, want ik voelde me opeens stokoud en verloren op dat overweldigend mooie strand, arm klein schrijvertje, verneukt door de tropen.’

Hoe de schrijver uit zijn as herrijst is wonderlijk, volledig verrassend. Maar hoe verleidelijk het citeren ook is, meer geef ik hier niet weg. U zou het boek absoluut zelf moeten lezen.

Esther Wils is redactiesecretaris van algemeen cultureel en literair tijdschrift De Gids.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum