Recensie: Geen 'So you think you can write'

30 november 2015 , door Pieter Hoexum
| | |

Al eerder zette Jan Brokken zijn poetica uiteen, in De wil en de weg. Dat was min of meer een boek voor beginners, voor wie wil leren schrijven. Het vervolg daarop, Het hoe, is dan ook voor meer gevorderde schrijvers bedoeld. Na lezing van het eerste boek zal menig lezer verzuchten: ‘Ik begin er toch maar niet aan...’ En na lezing van dit boek zal ook de doorzetter jammeren: ‘Ik kan er maar beter mee ophouden.’ Dat komt niet omdat Brokken zo hard en gemeen is – het verwordt niet tot een So you think you can write. Het komt wel omdat Brokken de lat zo hoog legt. Het mooie en knappe is dat dat er bij Brokken niet in resulteert dat je meer tegen schrijvers opkijkt – of neerkijkt op de wannebe’s – , maar wel tegen schrijven. Net als in zijn eerste boek, moet Brokken ook nu tot de paradoxale conclusie komen dat schrijven een ‘nauwelijks in woorden te vatten wonder’ is. Door pieter hoexum.

De anatomische les

Volgens de ondertitel gaat het boek Over het schrijven van romans, verhalen en non-fictie. Maar eigenlijk gaat het niet zozeer over schrijven als wel over lezen. Brokken bespreekt namelijk in het boek talloze boeken, verhalen, filmscripts, en wat dies meer zij – laten we zeggen ‘schrijfsels’. Het mooi is dat hij geen onderscheid maakt tussen hoog en laag: thrillers én romans komen aan bod.

En Brokken bespreekt die zonder aanziens des persoons: ook Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk krijgt er van langs. In De wil en de weg had Brokken Sneeuw al beoordeeld als ‘te symbolisch, te dik aangezet, te log’. En hoewel Het museum van de onschuld wat Brokken betreft een geslaagde liefdesroman is, heeft hij ook op dit boek een en ander aan te merken: ‘Ook in dit boek zit Pamuk om de zoveel pagina’s als een vervelend, dreinig kind door zijn eigen verhaal te tetteren.’

Brokken heeft het hier over Pamuks blijkbaar onbeheersbare neiging regelmatig uit het verhaal te stappen en de lezer lastig te vallen met nogal flauwe opmerkingen over het verhaal (‘Ik wil even iets zeggen over de kussen van Füsum en mij...’). En dan moet Brokken toch echt even streng zijn: ‘Rood potlood.’ En even verderop: ‘Ik wens Pamuk eindelijk eens een goede redacteur toe.’

Brokken interpreteert de besproken boeken niet echt, maar analyseert ze. Hij ontleedt ze. Hij bekijkt boeken zoals een bakker naar brood kijkt. En daar kun je als argeloze broodconsument veel van leren. Eigenlijk is het boek van Brokken een openbare anatomische les: hij snijdt heel zorgvuldig de boeken en verhalen open om ons te laten zien hoe het komt dat ze werken. Of waarom ze niet werken.

Je zou kunnen denken dat hij daarmee het leesplezier bederft, maar het tegendeel is mijns inziens het geval. Van kapot-analyseren is geen sprake. Juist omdat hij het zo rustig voordoet, wordt het mogelijk zelf ook op die manier te lezen. En wie wil leren schrijven zal eerst moeten leren lezen.

Masterclass

Hier en daar onthult Brokken een ‘geheim’. Hoe je spanning opbouwt bijvoorbeeld, doordat je de lezer betrekt bij je verhaal en vooral bij de personages. Tot Brokkens eigen verbazing slaagt detectiveschrijver Mankell daar in, in een boek dat hem op zich niet echt boeit.

‘De gehele thematiek van het boek is twijfelachtig. Toch bleef ik lezen, met iets van honger, of meer nog, van betrokkenheid. Waardoor dan?
Eigenlijk door iets heel simpels, door een handigheid die iedere schrijver zich eigen kan maken. Kort gezegd komt het hierop neer: de hoofdpersoon van het boek weet niet méér dan de lezer.’

Brokken lijkt op dit soort momenten misschien op goochelaar die de geheimen van zijn vak onthult en het zodoende voor hem en het publiek verpest. Maar schrijven is veel meer dan het toepassen van trucjes. Trouwens, goochelen vermoedelijk ook.

Het deed mij denken aan mijn pianolessen van vroeger. Als kind begon ik bij een pianoleraar die braaf de boekjes doorwerkte en onder wiens leiding ik de toonladders en vingeroefeningen afwerkte, totdat ik echt stukjes kon spelen. Echt leuk en interessant werd het pas toen ik enkele jaren later een andere pianoleraar kreeg die dat deed om aan de kost te komen, wat hem niet lukte als componist. De componist-pianoleraar liet me zien hoe een sonate in elkaar stak. Hij leerde mij alles over ‘expositie’ en ‘doorwerking’. Nog spannender vond ik de fuga, met het wonder van de meerstemmigheid en de rijkdom van de variatie. Hij leerde hoe ik zelf eenvoudige variaties kon maken op eenvoudige thema’s. Na dat ‘componeren’ was luisteren nooit meer hetzelfde. Nu pas hoorde ik hoe goed Bach was.

Al met al is Het hoe nog het beste te karakteriseren als een masterclass. Voor deelnemers aan zo’n masterclass zal dat lang niet altijd even aangenaam zijn, maar voor het aanwezige publiek is het smullen. En leerzaam; het publiek leert minstens zo veel over luisteren als de deelnemers over spelen.

Schrijvers zullen ook vast heel veel aan dit boek van Brokken hebben, maar lezers minstens zo veel. Eigenlijk mag geen enkele lezer zich dit boek over schijven ontzeggen.

Pieter Hoexum is filosoof, publicist (voor o.a. Trouw) en huisman. Hij was boekverkoper bij Athenaeum Boekhandel. Zijn boek Gedenk te sterven. De dood en de filosofen verscheen in 2003. In 2012 verschijnt een boek van zijn hand over heimwee.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum