Recensie: Hume als bijsluiter bij De Botton

30 november 2015 , door Pieter Hoexum
| | | |

Op 26 april van dit jaar was het driehonderd jaar geleden dat de Schotse filosoof David Hume werd geboren. Behalve een aardig stukje van Carel Peeters in Vrij Nederland is dat in Nederland vrijwel onopgemerkt voorbijgegaan. Het verband tussen Hume en Nederland is dan ook niet makkelijk te leggen. Zijn vader heeft nog in Leiden gestudeerd en Hume zelf heeft Nederland wel eens bezocht, op doorreis weliswaar, maar toch... Erno Eskens onvolprezen Filosofie reisgids voor Nederland en Vlaanderen vermeldt nog dat Hume bij een winterse oversteek van de Maas bij Gorinchem, in een ‘ijsboot’, angstige momenten beleeft. Voornaamste lijkt toch een (her)uitgave van een Nederlandse vertaling van Humes De natuurlijke geschiedenis van de religie. Door pieter hoexum.

Kind met badwater of Paard van Troje?

Deze uitgave komt goed van pas, niet alleen om Hume te herdenken, maar vooral om zijn ideeën over religie opnieuw te overdenken. De vertaling is herzien en voorzien van een nieuwe inleiding, maar belangrijkste is zonder meer dat het is uitgebreid met een klein maar scherp essay van Hume: ‘Over bijgeloof en enthousiasme’. Al met al kan deze uitgave wat tegengas geven, of nuancering betekenen voor het nieuwste project van Alain de Botton om religie te herwaarderen.

In zijn boek Religie voor atheïsten. Een heidense gebruikersgids stelt hij dat de seculiere samenleving veel kan leren van religies als het gaat om zaken als gemeenschapszin, ethiek, onderwijs en kunst. De Botton gaat op zoek naar ‘wijsheid zonder dogma’: de dogmatische kanten van religies gaan overboord, waarna er enkele aspecten uit gefilterd worden die troostrijk kunnen zijn voor de sceptische hedendaagse mens.

De Botton heeft zeker niet ongelijk als hij stelt, wat hij mijns inziens grofweg doet, dat al te enthousiaste Verlichters, in hun poging religie geheel uit te bannen, het kind met het badwater hebben weggegooid. Maar misschien is De Botton zelf ook wat al te enthousiast: hij lijkt niet te zien dat hij het paard van Troje binnenhaalt. Voorzichtigheid is immers geboden, er raken altijd wel weer enthousiaste gelovigen van overtuigd dat God zich aan hun zijde bevindt... Een ondraaglijke last die vrijwel onvermijdelijk leidt tot gewelddadig optreden.

De Botton probeert meteen in de eerste zinnen van zijn boek de angel eruit te halen:

‘De meest afgezaagde en onproductieve vraag die je over welke religie dan ook kunt stellen is of ze waar is — dat wil zeggen: of ze werkelijk onder trompetgeschal uit den hoge is aangereikt en op bovennatuurlijke wijze wordt bestierd door profeten en goddelijke wezens.
Laten we, om tijd te besparen en op het gevaar af al zo pijnlijk vroeg in dit project lezers te verliezen, boudweg stellen dat natuurlijk geen enkele religie een van God gegeven waarheid bezit.’

Dat zou Hume als muziek in de oren klinken. En De Botton is het ongetwijfeld met Hume eens dat, zoals de inleiders zo fraai bondig samenvatten, ‘religie in oorsprong niet zozeer een verklarende theorie [is], maar veeleer een praktijk waardoor de mens troost, een houvast en zekerheid zoekt’. We moeten religie dan ook niet beoordelen op haar eventuele waarheid, maar op ‘werkzaamheid’: biedt het inderdaad troost, houvast en zekerheid?

Huismiddeltje

Religie kan misschien het beste beschouwd worden als een medicijn, een huismiddeltje. En Humes essay ‘Over bijgeloof en enthousiasme’ is dan de ideale bijsluiter, waarin hij kort en scherp waarschuwt voor de bijwerkingen.

Het bederf van de beste zaken kan het ergste voortbrengen: dit is een maxime geworden en wordt doorgaans bewezen door onder andere de schadelijke effecten van bijgeloof en enthousiasme, beide uitwassen van de ware religie.’

Kort samengevat leidt bijgeloof volgens Hume tot slaafse onderdanigheid aan priesters, terwijl enthousiasme eerder leidt tot koppige hoogmoed en een te grote, onredelijke vrijheidsdrang.

Bij de gevaren van bijgeloof kan iedereen zich wel wat voorstellen, maar Humes kanttekeningen bij enthousiasme verdienen misschien nog wat uitleg. Tegenwoordig wordt enthousiasme louter als iets positiefs gezien, maar in de achttiende eeuw was dat niet het geval. In de tijd van Hume was men huiverig voor ‘geestdrift’, men zag nog dat, in religieuze aangelegenheden, ‘goddelijke inspiratie’ een explosief goedje is: het leidt tot een overdreven, onstuitbare geloofsijver.

In het essay gaat Hume verder kort in op de invloed van bijgeloof en enthousiasme ‘op het bestuur en de samenleving’, wij zouden zeggen: de invloed van religie op politiek. Die is in Humes tijd nog enorm, maar was in de tijd ervoor nog veel groter. Zijn eigen gigantische History of England is als het ware een reusachtige illustratie bij deze stelling. En dat leidt mooi naar een andere heruitgave van een boek over Hume: David Hume: The Philosopher as Historian. Daarover later meer.

Pieter Hoexum is filosoof, publicist (voor o.a. Trouw) en huisman. Hij was boekverkoper bij Athenaeum Boekhandel. Zijn boek Gedenk te sterven. De dood en de filosofen verscheen in 2003. Dit is het eerste deel van een drieluik over Hume en zijn leerling en vriend Adam Smith.

MINDBOOKSATH : athenaeum