Recensie: In de tussentijd gebeurt er niets

30 november 2015 , door Herm Pol
| | |

Sascha Sperling is achttien jaar. Ik, voor eeuwig is zijn eerste boek. Mes illusions donnent sur la cour luidt de oorspronkelijke titel. Het is de eerste regel van ‘L’alcool’, een lied van Serge Gainsbourg. Maar waar de teksten van Gainsbourg doordesemd zijn van een prettige, melancholische droefheid, is het bij Sascha Sperling ‘l’ennui’, de mateloze verveling die het boek doordrenkt. De oorspronkelijke titel zou je kunnen vertalen als: ‘mijn illusies zien uit op de binnentuin’. En dat zegt iets, over de plek van waaruit  gekeken wordt en over de reikwijdte van die illusies. Door herm pol.

N.B. Zie ook de voorpublicatie in onze Nacht.

In het boek is de verteller, die ook Sacha heet, veertien. Iedereen is veertien in Ik, voor eeuwig. Sacha is opgegroeid in Parijs, in een gegoed en beschermd milieu. Hij zit in de derde klas van de middelbare school, met tussendoor vakanties naar Marokko en mondaine badplaatsen. Je verwacht dan de zoveelste veelbelovende roman over hoe rijkeluiskinderen zich vervelen tussen te veel geld en te weinig te doen. Maar Ik, voor eeuwig is anders. Het is een apologie van een adolescent, van een jonge poète maudite; bekentenissen van een half volwassene.

Veertien. De leeftijd waarop je niet weet wie je bent of wie je zou willen zijn, vertwijfeld wachtend op iets wat je bestaan rechtvaardigt of het in ieder geval een kant op duwt en de zinloosheid van alles doorbreekt. Die katalysator vindt Sacha in Augustin, ook een jongen van veertien - iedereen is veertien - die hij ontmoet in de trein. Er ontstaat een soort gepassioneerde vriendschap tussen de twee. Een vriendschap die een schooljaar lang duurt. Met een gevoel van 'wat maakt het ook allemaal uit', geven ze zich over aan allerlei geneugten. Nachtclubs, drank, cocaïne, winkeldiefstal, spijbelen, seks met toevallige meisjes, seks met elkaar.

Veel meer dan bij al die andere zogenaamd veelbelovende romans valt de sublieme stijl op waarin Sperling al dat hedonisme verwoordt. Hij schrijft korte, heldere zinnen, geloofwaardige dialogen en laat subtiel het gelatene, het onverdraaglijk zinloze van die genotsdrang zien.

‘De bel gaat. Ik noem de verdieping door de intercom terwijl ik me afvraag of hij die vergeten kan zijn. Ik hoor de lift. Ik doe open, bekijk hem, dan weet ik het weer en heb ik spijt. Hij verontschuldigt zich dat hij te laat is. Hij kijkt me niet aan. Hij vraagt of hij een Coca-Cola mag, ik zeg dat ik alleen light heb. Hij loopt naar de keuken en zegt dat hij dat weet. Hij bijt in een appel en legt hem weer neer. We zeggen niets meer, en tegen de tijd dat hij voorstelt om naar boven te gaan, is de appel bruin uitgeslagen. In mijn bed doet hij alsof hij televisie kijkt. Hij vertelt over zijn vakantie en stelt vragen over de mijne zonder naar de antwoorden te luisteren. Hij kust me, ik aarzel. Ik zeg: “Ik hoop dat…” Het is lastig de juiste woorden te vinden als je niks meer te zeggen hebt. Ik begin opnieuw: “Ik ben geen opblaaspop, weet je…” Hij antwoordt niet. Ik vraag hem: “Hou je van me?” Hij kijkt naar het plafond en zegt rustig: “Wat denk je?”’

Hij bijt in een appel en legt hem weer neer, en tegen de tijd dat hij voorstelt om naar boven te gaan, is de appel bruin uitgeslagen. Prachtig beeld. In de tussentijd gebeurt er niets. Je ziet het voor je: twee jongens op een kamer. Niks te zeggen, niks te doen. Langzaam kleurt de appel bruin.

Hoewel die eindeloze roes van de twee jongens de hoofdmoot van het boek vormt, is het niet de boodschap die de auteur wil overbrengen. Ik, voor eeuwig is niet zomaar een boek van een rijkeluiszoontje - want dat is Sacha Sperling. Sperlings stijl is verrassend rijk. Rijp, zou je eigenlijk moeten zeggen. Veel meer bijvoorbeeld dan Helene Hegemann, die met Axolotl Roadkill een soortgelijk boek schreef en daarmee vorig jaar heel literair Duitsland op de knieën dwong, is dit boek subliem en superieur van stijl.

Cocaïne, diefstal, leugens, neuken en geneukt worden, het zijn allemaal extremen van een veertienjarige die aan het ontdekken is. Probeersels met zijn eigen, veranderende lichaam. Het is een poging om te verdwijnen, geen deel uit te maken van een wereld die verafschuwd wordt. Tegelijkertijd is het ook een ontkenning, een weigering om sterfelijk te zijn. Ingeklemd tussen een strenge, meestal niet aanwezige vader en een moeder die alles met geld oplost, kiest Sacha voor de passie en het gevaar die belichaamd worden door die andere jongen, Augustin. Het lijkt of Sperling die zelfvernietigingskruistocht waarop hij zijn veertienjarige hoofdpersoon laat gaan, eigenlijk opvoert als een niet uitgesproken roep om bevestiging van zijn bestaan. Voor wie ik liefheb, wil ik heten. Die boodschap wordt lezenderweg steeds duidelijker, zonder dat de auteur het Sacha laat uitspreken. Voordat je vijftien wordt, moet je eerst een heel jaar veertien zijn. En hoe dat kan zijn, laat Sacha Sperling vernuftig zien.

Herm Pol is winkelchef bij Athenaeum Boekhandel Amsterdam. Elke maandag praat hij bij De Avonden over een buitenlandse titel. Dit is een bewerking van zijn bijdrage van 9 mei.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum