Recensie: Lezen als bestaansvorm

30 november 2015 , door Esther Wils
| | | | |

Niets heb ik van mijzelf is door drie schrijvers geschreven: Willem Jan Otten schreef een abcdarium over de schrijver Kees Verheul, nam een van diens essays op en een tekst van de door Verheul ‘beëssayeerde’ Clay Hunt, een onbekende, inmiddels overleden Amerikaanse literatuurwetenschapper die een ‘leermeester’ was voor Verheul, die op zijn beurt een ‘gids’ was voor Otten. Het abcdarium, waar het boek mee opent, is behalve een betoon van 'schatplichtigheid' een knap en gloedvol gedachte-experiment over lezen als bestaansvorm, waarin terloops ook van alles duidelijk wordt over Ottens intrigerende kijk op geloof, dat wezenskenmerken deelt met kunst. Door esther wils.

Intieme verkenningen

Onvoorziene gebeurtenissen hebben ervoor gezorgd dat ik het manuscript tot drie keer toe opnieuw heb moeten lezen, en iedere keer was het opwindend en waardevol. Niets heb ik van mijzelf is een boek als een Droste-blik - Hunt, die Donne bespreekt, wordt geportretteerd door Verheul die een ode van Otten ontvangt - en wat mij betreft zijn de bijdragen ook in toenemende mate spannend. Hunts ontleding van de cultuurhistorische context van Donnes gedicht 'Hymn to God, My God, in My Sickness' is degelijk - de beelden in het gedicht zijn zo sterk dat ze zonder achtergrondkennis minstens even luid en duidelijk spreken - maar biedt pas tegen het slot verrassende inzichten over de persoonlijkheid van Donne - volgens Verheul een 'complementaire persona' voor Hunt.

Verheuls essay is een intieme verkenning van zijn eigen omgang met Hunt, een poging diens persoonlijkheid te begrijpen en een genuanceerde analyse van zijn geschreven werk. Hunt was voor Verheul - essayist, vertaler en romancier - op zijn zeventiende, tijdens zijn studie in Amerika, een groot inspirator, iemand die zijn liefde voor literatuur richting gaf en zijn smaak mede heeft bepaald. Het stuk biedt een mooie, nauwkeurige reconstructie van hun gezamenlijke geschiedenis die na de colleges een vervolg kreeg; Verheul trok onder andere in Rome met Hunt op en bleef een leven lang geïntrigeerd door zijn ongrijpbare persoonlijkheid, zijn bezeten belezenheid en de fascino die van hem uitging. (Het verhaal is verbazend kuis; Hunt was mogelijk homoseksueel, Verheul was dat zeker maar die verwante gevoelens gaan pas heel laat in hun omgang doorschemeren - bijna ondenkbaar dat een hedendaagse student zo'n diffuse beleving van erotiek zou hebben. Maar het ging dan ook in de eerste plaats om de literatuur.)

Een web van betekenissen

Verheul is ook bij herlezing roerend in zijn toewijding en treffend in de zuiverheid waarmee hij de ontwikkeling van zijn literaire inzichten beschrijft, maar het is de tekst van Otten die iedere keer vraagt om aanstrepen en uitroeptekens plaatsen. Dat verschil is misschien terug te voeren op een onderscheid dat Otten zelf maakt, tussen de inzet van Verheul die als essayist iets wil presenteren wat hij al heeft gevonden en de werkwijze van Otten zelf die zoekend schrijft, wiens werk niet af is. De uitkomst van zijn experiment met de alfabetische lemma's staat niet vast, het nut of het effect ervan moet gaandeweg blijken en dat geeft de tekst een ongekende levendigheid en spanning.

Het heeft waarschijnlijk ook met de taal te maken, die bij Otten compact is, nuttige nieuwe woorden bevat ('weemoed-proof', 'betrekkingsherinneraar', 'vergewisser', 'onvoorzienigheid') en in een prikkelende vorm is georganiseerd, in de onderlinge kruisverwijzingen van de lemma's door asterisken. Waar Hunts toon overwegend academisch is, is die van Verheul subtiel, onnadrukkelijk en bijna gewoon - Otten noemt hem 'conversationeel' maar ook 'precies' - en die van Otten zowel lyrisch als logisch, verrassend en tegelijk vertrouwd voor zijn liefhebbers, en als vanouds verslavend. Het is in dit korte bestek onmogelijk recht te doen aan het complete 'web' van betekenissen dat zich tussen de lemma's aftekent. Ik licht er hier een paar uit die een kijkje geven in Ottens particuliere, creatieve en op de literatuur betrokken omgang met het christelijke gedachtegoed.

Lezen, dromen, bidden

'Ik heb het gevoel - maar kan het niet aantonen - dat lezen, dromen en bidden, zusters van elkaar zijn, een Drievuldigheid. Het vermogen om uit een droom 'instructies' te ontvangen - wat zeggen wil: te beseffen hoe je overdag moet handelen - lijkt op hoe een bidder, zich richtend tot een onzichtbare iemand die hem kent, vaak woordeloos, laat sterken in hoe hij, al biddend, zegt, of denkt, dat hij moet zijn. Het is niet vergezocht om te denken dat voor een geest als die van Verheul lezen eenzelfde 'mantische' functie heeft. Ik haal dat woord* uit zijn stuk over Ernst Jünger. Verheul leest, zo lijkt het, om te horen wie hij moet zijn. (Eens schrijft iemand met een ruimzittend brein 'De mantiek van het lezen'.)'

'Jezus. Ik vraag me af of Zijn naam ook maar één keer genoemd wordt in het in boekvorm gepubliceerde oeuvre. Toch is het hele werk doortrokken van een verrijzenisgedachte - ieder essay* (behoudens die over Brodsky* en Ouwens*) is een ontmoeting* op weg naar Emmaus* met een morsdode.'

'"Kunst," schrijft hij [Verheul] in hetzelfde stuk, "is aanvaarde onzekerheid."
En zo omarmt zij, als een zusje, het geloof*, dat wel kan weten maar nooit kent.'

'Hij [Verheul] heeft altijd door het lezen verlost willen worden. Van zijn vooringenomenheden.'

'Je zou de geestesinstelling van een lezer als Verheul orthodox kunnen noemen, want vergelijkbaar met die van een gelovige die een heilige tekst opent. Hem komt iets onder ogen dat tallozen iets gezegd heeft. Als het jou niets zegt (wat God verhoede), dan is dat niet de schuld van het boek, maar van jou - je leest niet goed, je bent niet ontvankelijk.
De ontdekking, daarentegen, dat je wel ontvankelijk blijkt te zijn, doet hem van verrukking op zijn grondvesten trillen - en moet worden gedeeld, op z'n minst met een essay. Het is alsof hem een genade deelachtig is geweest.'

Je krijgt al lezende het vermoeden dat het geloof voor Otten, voor wie geen geestelijke uitdaging te groot lijkt, de ultieme knoop is om zijn wakker gevoel, borend verstand, en grote verbeelding op te kunnen botvieren, in gunstige zin. Het feit dat geloven in zijn tijd van leven en milieu tegen de keer is schrikt hem niet af, misschien wel het tegendeel. Verheul zelf is ook gevoelig voor de riten van het christelijk geloof. Otten schrijft:

'Vasten. Vlak voor Pasen 2008 had ik hem eens aan de telefoon. Het gesprek kwam op vasten. Hij vertelde dat hij sinds Aswoensdag, de dag dat de periode van veertig dagen begint, niet meer had gelezen. Geen boek. Geen krant ook? vroeg ik. Nee, zei hij. Ik verheug me op overmorgen, op Pasen, maar het gaat fantastisch, eigenlijk steeds beter. Ik noem het leesvasten.'

Tot slot een puur Ottense parel, buiten het christelijke:

'Verlegenheid is duivels lastig te herinneren. Latere ontmoetingen* [van Otten met Verheul, o.a. op de redactie van Vrij Nederland, het blad waarvoor beiden destijds kritieken schreven], ook de intensiefste, begonnen steevast met een kettingreactie van verlegenheden, die dan, altijd weer even onverhoeds, omklapten in een intensief en vaak intiem gesprek. Alsof er tussen verlegen en intiem geen beschermende buffer van neutrale, anekdotische onderwerpen kon, of hoefde, worden opgetrokken.'

Wat een aanminnig duo, te ontmoeten in één boek met Dante en diens leermeester Vergilius, de enigmatische Clay Hunt, de temperamentvolle John Donne, Auden, Eliot en nog een heel aantal andere schrijvers! Hulde aan uitgeverij Van Oorschot voor de gewaagde opzet van dit boek dat allerminst commercieel gebeiteld zit, maar wel avontuurlijk en geslaagd te noemen is, en lezers beslist naar Kees Verheul zal leiden.

Esther Wils is redactiesecretaris van algemeen cultureel en literair tijdschrift De Gids.

MINDBOOKSATH : athenaeum