Recensie: Met goud in de ogen

30 november 2015 , door Fabian Takx
| |

Goudkoorts, het is een verschijnsel dat nog altijd volop op de verbeelding werkt. Beroete mannen met bloeddoorlopen ogen, ijlend in een nauwe schacht, bereid om hun beste makkers af te maken voor een handvol goud. Het lijkt iets van vervlogen tijden, maar nee, er bestaan nog steeds goudzoekers die denken door een vondst van het kostbare mineraal van alle financiële zorgen te worden verlost. Zoals in de outback, het onherbergzaamste deel van Australië. Daar ploeteren ze voort, met hun detectoren, uren aan een stuk, in de hoop eindelijk een oorverdovend gepiep te horen. Jeroen van Bergeijk heeft het gehoord, in Goudkoorts. Door fabian takx.

Goud in de outback

In 2009 woont Jeroen van Bergeijk met vrouw en kind in een dorp in Australië. Hij maakt zich zorgen over zijn financiële toekomst. Moet hij nog twintig jaar doorploeteren als freelance journalist? De spoeling wordt steeds dunner. Dan stuit hij op een exemplaar van Gold, Gem & Treasure, een soort vakblad van de Australische goudzoeker. Zijn interesse is gewekt, en het duurt niet lang of hij beproeft zijn geluk. Vier maanden lang sjokt met een metaaldetector door de outback van West-Australië, iedere dag weer, net als al die andere goud- en gelukszoekers. Voortgedreven door, jawel, goudkoorts.

Alleen, hij vindt niks. Ja, een paar klompjes van een of twee gram. Maar Van Bergeijk weet niet van opgeven. En passant schildert hij overtuigend de ‘subcultuur’ van het goudzoekende deel der Australische natie. Dat zijn bonkige types met korte voornamen – Dick, Nick, Fred, Vicky, Rhonda enzovoorts – die veel bier drinken, bar weinig ambities en interesses hebben en nog minder over hun methodes kwijt willen. Wel willen ze graag pronken met hun vondsten, die tot Van Bergeijks frustratie soms wel een kilo wegen.

Het lijken aardige lui, maar steeds meer begint Van Bergeijk te merken dat achter die façade van goedmoedige behulpzaamheid veel achterdocht, frustratie en kinnesinne schuilt. ‘Gold does funny things to people’, zoals een oude rot tegen hem opmerkt. Uiteindelijk is het ieder voor zich op de kale goudvelden van de outback. Echte vriendschappen komen zo niet van de grond en de auteur is blij als hij eindelijk weer naar Nederland kan vertrekken, een illusie armer. In Amsterdam heeft de plaatselijke goudhandelaar niet meer dan 320 euro voor zijn vondsten over. En dat in een tijd waarin goud gewilder is dan ooit.

Overtuigend maar afstandelijk

Al met al is het een mooi thema dat door Van Bergeijk vaardig is uitgewerkt. De titel van het boek is misschien niet helemaal gelukkig gekozen. ‘Hoe ik dacht rijk te worden...’: je weet al dat de goudzoekerij op een deceptie zal uitlopen, en de spanning is dan ook vaak ver te zoeken. Van Bergeijk schrijft bekwaam, maar wel een beetje als een ‘road train’, een van die ontzagwekkend lange vrachtwagens die je op de Australische wegen tegenkomt: hij dieselt maar door, zonder motorische problemen, maar ook veel verrassing of stilistische hoogtepunten.

Met zijn observatievermogen en journalistieke nieuwsgierigheid is echter niets mis, en je komt niet alleen veel te weten over de geschiedenis van de Australische goudkoorts, het belang van de Australische mijnbouw en de mentaliteit van de hedendaagse golddigger, maar ook over kangoeroes en aboriginals, de mijnbouwbelasting, de Engelse handel in Australische mijnbouwaandelen en nog veel meer - en vooral over een onafzienbare stoet van vaak vroegtijdig gesneefde praatjesmakers die beweerden het goud voor het grijpen te hebben.

Overtuigend schetst de auteur de couleur locale in de bush, met drinkgelagen in de enige pub van het gehucht Ora Banda en bijeenkomsten bij de ‘barbie’, waar stoere kerels hem nooit ook maar één enkele belangstellende vraag stellen, maar elkaar alleen proberen af te troeven met sterke verhalen. Geen prozaïscher volk dan de Aussies, denk je na het lezen van dit boek.Voor iedereen die ooit in Australië is geweest wordt Goudkoorts zo een feest van herkenning.

Het is jammer dat Van Bergeijk, wiens boek Mijn Mercedes is niet te koop een zo grote hit was dat de rechten in verschillende landen zijn verkocht, ondanks zijn ‘goudkoorts’ met journalistieke afstandelijkheid blijft observeren. Was hij maar een new journalist als Hunter Thompson die zich overal met huid en haar op stortte, dronken van taal en whisky. Gaandeweg het verhaal vraag je je af waar al die journalistieke uitweidingen eigenlijk voor nodig zijn, als het er de schrijver uiteindelijk alleen maar om gaat een joekel van een goudklomp te vinden om uit zijn armlastige situatie te worden verlost. In de Verantwoording komt de aap uit de mouw: ‘Een bijdrage van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten maakte dit project haalbaar.’ Zo kan ik het ook. Goed dat hij niks gevonden heeft.

Fabian Takx is freelance journalist en auteur.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum