Recensie: Plezier en charisma

30 november 2015 , door Rutger Lemm
| | | | | | | |

Mijn huisgenoot is een echte Amerikanofiel. Ze heeft een abonnement op The New Yorker, sleept de gebundelde brieven van Hunter S. Thompson van hot naar her en valt in slaap bij het geruststellende stemgeluid van Ira Glass in This American Life. Ze heeft alleen op de middelbare school Nederlandse literatuur gelezen en krimpt ineen bij het knullige Engels van haar docenten op de universiteit ('Jes, let’s view at the tekst hier…'). Amerika is voor haar het Mekka van het intellectualisme, een romantische literaire wereld vol grappige, doch statige dames en heren. Door haar kwam ik ook voor het eerst in aanraking met The Paris Review, die glimmend midden op onze keukentafel lag. Door rutger lemm voor hard//hoofd en Athenaeum.

Het is een van de meest prestigieuze literaire kwartaaltijdschriften ter wereld, waar de drang naar alsmaar toenemende snelheid nog lang niet doorgedrongen is. In 1953 is het opgericht met maar één doel: de zoektocht naar goede schrijvers en dichters, waarbij aandacht voor hun kwaliteit de voorkeur heeft boven het bekritiseren van anderen. Zo ontdekte The Paris Review het talent van onder andere Jack Kerouac, Philip Roth en recenter Jonathan Franzen. Later kwam hier een nieuwe specialiteit bij: zeer uitgebreide interviews waarin men probeert om de vinger op het talent van de auteur te leggen. Joost Zwagerman stelde onlangs een selectie van deze interviews samen, De ontdekking van de literatuur (2007).

De vraag is natuurlijk niet of zo’n instituut een goed tijdschrift is. De vraag is of dit nummer (winter 2010) in de lange geschiedenis van The Paris Review een goede is.

De toon wordt gezet met een intrigerend kort verhaal van Alexandra Kleeman over een jonge vrouw die midden in de aankondiging van haar verloving haar aanstaande man niet meer herkent. De andere korte verhalen zijn minder pakkend dan dit eerste meesterwerkje, maar uit alle fictie in dit nummer spreekt een weloverwogen redactionele keuze en een groot talent. Bij de vele poëzie die een welkome afwisseling is tussen de lange teksten, springt het gedicht van Albert Goldbarth over het leven achter een oppervlakte het meest in het oog: 'Today I heard the radio interview/of someone who studies the sounds fish make;/her special focus is minnows, darters, sturgeon./They’re noisy, as it turns out, when you have/the proper equipment.'

Een van de twee grote interviews is met de grote literaire held van het moment, Jonathan Franzen. De schrijver van The Corrections en Freedom wordt 41 pagina’s lang aan de tand gevoeld over zijn jeugd, zijn huwelijk, zijn methode, met een grote overkoepelende vraag: waarom ben jij zo’n goede schrijver? Het levert vele interessante, openhartige antwoorden op van Franzen, die het duidelijk een eer vindt om ondervraagd te worden. Zo vertelt Franzen dat hij in zijn werkkamer slechts een bureau met een laptop heeft staan en lakens en kussens gebruikt om de zon uit te sluiten. Soms werkt hij met oordopjes in. Het opnemen in dit nummer van de handgeschreven opzet voor Joey, een van de personages uit Freedom, geeft een zeldzaam kijkje in de werkwijze van een veelgeprezen auteur en de complexiteit van het boek waar hij negen jaar lang aan schreef.

Diepgravend, oog voor talent: The Paris Review wekt een zucht van verlichting op in haastige tijden. De enige kritiek die ik zou kunnen geven, is dat het tijdschrift soms ietwat te nostalgisch is, met verhalen die zich in de jaren zestig afspelen of de correspondentie van schilder Paul Steinburg uit de jaren zeventig die vertaald werd. Dat neigt naar een bepaald soort elitair conservatisme dat niet bij de beginselverklaring van het tijdschrift past en waarmee het riskeert dat het al te zeer los van de wereld komt te staan. Gelukkig staan de interviews met moderne helden als Franzen en Louise Edrich wel in de actualiteit. Hoewel je ook over die interviewtechniek enige twijfels kunt uiten. Het valt te prijzen dat The Paris Review zo uitgebreid tot de kern van een persoon probeert door te dringen, maar waren dit de 41 beste pagina’s van het gesprek met Franzen? Kon het niet ook in 35 of 30 pagina’s? Met zo’n vrijbrief krijg je overbodige passages - de schrijvers zelf zouden het beamen.

Toch is The Paris Review een genot om te lezen. Het heeft een bepaalde distinctie zonder dat het saai of al te pretentieus overkomt. Het plezier en charisma spat van de pagina’s af. Daar kunnen wij Nederlanders alleen maar jaloers naar blijven kijken.

Rutger Lemm is hoofdredacteur van hard//hoofd.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum