Recensie: Wigman ademt poëzie

20 september 2010 , door Lodewijk Brunt
| | |

Annie M.G. Schmidt gaf ooit haar goede raad in poëzievorm: 'Neem nooit een dichter, m'n dochter./Zo een met een dichterskop,/zo eentje met lange haren,/zo een op een zolderkamer,/zo een wordt er ook met de jaren/niet monogamer op [...].'
In zijn zojuist verschenen bundel met poëtische bespiegelingen citeert Menno Wigman haar met instemming: het gedicht is niet alleen fraai maar het gaat ook over dichters. Niets mooiers dan dichters die op dichters vitten, vindt Wigman en hij citeert de Vlaamse dichter Luuk Gruwez die na veertig jaar het afkeurende oordeel van Schmidt nog eens onderstreept: 'Kletsers, kwebbels, blunders van God./Red ons, red ons van de dichters.' Aan deze regels heeft Wigman de titel van zijn boekje overgehouden: Red ons van de dichters. Een beetje ironisch, ongetwijfeld, maar ook koket. Door lodewijk brunt.

Alle stukjes in de bundel gaan over dichters en gedichten en de auteur onderstreept in elke zin zijn eigen dichterschap; hij ademt poëzie, gaat met dichters om, leest ze en vertaalt ze. Je hoort wel eens dat dichters poëzie in de aderen hebben: neem ze bloed af en het rijm begint te stromen. Zo iemand lijkt Wigman, maar uit zijn beschouwingen blijkt dat de schijn soms bedriegt. Bij hem borrelde de poëzie niet spontaan naar boven, maar werd zijn dichterschap opgewekt door dichters die hij als puber las en die hij begon te vertalen om in het werk door te dringen. Baudelaire was zijn held en toen hij met Les fleurs du mal begon, raakte hij verslaafd. 'Ik wist maar amper wat er stond', herinnert hij zich, 'had geen enkel benul van klassieke versvormen, maar betrok elk woord haast als vanzelfsprekend op mezelf'. Na Baudelaire volgden de andere 'verdomde dichters' uit het Parijs van de negentiende eeuw. 'Besmet was ik', aldus Wigman.

Het noteren van zulke herinneringen is een aardige manier om inzicht te geven in het karakter van dichterschap. Word je bepaald door de dichters die je leest en vertaalt? Inderdaad, je dichterlijke geweten wordt op deze manier gevormd, je leert dat alles draait om het juiste woord. Ogenschijnlijk onbenullige zaken als rijm, ritme of kleur blijken wel degelijk van levensbelang. Of, zoals Wigman zegt: 'Wil je je lezer raken, dan kun je maar beter zorgen dat je zinnen van ijzer zijn'.

De interessantste beschouwingen in Red ons van de dichters betreffen de vergelijkingen van gedichten waaruit het verschil tussen zwakke en sterke zinnen duidelijk naar voren komt. Dat ligt misschien nogal voor de hand bij de gedichten die worden voorgedragen in het voormalige radioprogramma Candlelight: valse poëzie, die 'stinkt'. Maar Wigman zet ook gedichten van dezelfde dichter tegenover elkaar, zoals 'Het tuinfeest' van Martinus Nijhoff uit 1917 en uit 1924. De eerste versie onnozel, de tweede schitterend.

Het mooiste hoofdstukje gaat over het groepje dichters dat in overleg met de sociale dienst in Amsterdam gedichten maakt voor de begrafenissen van mensen waar geen vrienden of familieleden bij aanwezig zijn.

'Ik sta hier in mijn beste pak, citeer uit eigen werk/voor jou, op verzoek van heren die ook niets van je weten,/je kist vertrekt en er komt zwarte koffie. Men zal misschien iets eten./De aarde haalt de doden uit elkaar, de aarde doet wat haar werd/opgedragen door een God of door de leegte. je weet wel hoe het gaat'.

Wigman is van poëzie doordrenkt, maar hij heeft afstand genoeg om dichters en gedichten in hun context te plaatsen. Het is jammer dat de bundel is samengesteld uit een stuk of twintig min of meer losse notities, met alle herhalingen van dien. Het onderwerp verdient een betoog van langere adem. Uit het omvangrijkste stuk in Red ons van de dichters blijkt dat Wigman zoiets met gemak zou kunnen: het lange reisverslag uit Berlijn (zeventig pagina's) gaat weliswaar meer over de zielenroerselen van de dichter dan over de Duitse hoofdstad, maar het geestige proza van de auteur is helder en onderhoudend. Misschien zijn dichters inderdaad blunders van God, maar veel beters heeft Hij ons nooit gegeven.

Lodewijk Brunt is stadssocioloog.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum