Recensie: Alle lof waard

30 augustus 2012 , door Irwan Droog
| | | |

In november 2012, tijdens Nederland Leest, staat De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans centraal. Claudia de Breij schrijft een lofrede op de klassieke roman, bibliotheken delen het boek gratis uit en de status van de titel als tijdloos meesterwerk zal, zoals de literatuurlijsten van scholieren dat jaar in jaar uit al doen, opnieuw bevestigd worden. Die status spreek ik hier allesbehalve tegen, nu ik een voorschot op november heb genomen en van de zomermaanden gebruik heb gemaakt om te herlezen. De zinderende spanning, de ingenieuze complexiteit en de onverwachte, scherpe humor die de roman rijk is, blijven verbazen - ook als je het verhaal al kent. Door irwan droog.

N.B. Deze recensie maakt onderdeel uit van de korte reeks besprekingen Ik ga op reis en ik neem mee, waarin een aantal van onze recensenten mogelijke vakantieboeken bespreken. Vandaag: de klassieker.

De gele en blauwe trams tussen Den Haag, Voorschoten en Leiden zijn intussen al lang vervangen door treinen. Het nachtelijke, uitgestorven en donkere Amsterdam van 1945 wordt anno 2012 verlicht en bevolkt met drommen toeristen. De huidige realiteit komt steeds verder weg te staan van de door Hermans gecreëerde romanwereld, waardoor de indringende sfeer van de Tweede Wereldoorlog en het soms chaotische verzet des te indrukwekkender wordt.

Er is geen antwoord

Henri Osewoudt, de sigarenhandelaar die reeds op jonge leeftijd klaar lijkt te zijn met zijn leven - hij heeft immers werk, een vrouw, en zijn moeder heeft zijn vader uit de weg geruimd - doet al de bovenstaande plaatsen aan wanneer hij in het verzet terechtkomt. Aangespoord door de ongrijpbare Dorbeck pleegt hij aanslagen, vermoordt hij landverraders en volgt hij in blinde idolatrie onbegrijpelijke instructies op. Dat hij de instructies niet altijd begrijpt, speelt hem parten wanneer Dorbeck later onvindbaar is en Osewoudt na de bevrijding niet als held maar als verrader wordt gezien.

Waar is Dorbeck, de enige man die Osewoudts heldendaden kan bevestigen? Bestaat hij überhaupt wel, of is hij misschien een hersenspinsel van Osewoudt? De tekst lijkt daar meermaals op te zinspelen. Sinds het verschijnen van De donkere kamer wordt hierover gediscussieerd. Coen Bersma gaf in 1970 een opsomming van eerdere conclusies, getrokken door literatuurcritici die uitgingen van de aanwezigheid van een verborgen laag, ontsproten uit de psyche van Osewoudt:

'De deerniswekkende hoofdpersoon van deze roman zou onder meer zijn: een ziektegeval, een psychopaat, paranoïde, gefrustreerd, erfelijk belast, een waanzinnige, slachtoffer van hallucinaties, zeer subjectief, geïsoleerd en lijdend aan object- en realiteitsverlies, autisme, inbeelding en een ziekelijke fantasie.' (Bersma, 'Doublures binnen de donkere kamer')

Met de suggestie van Bersma dat Dorbeck wél bestaat, doet hij de roman geen recht. 'Het beste is, het raadsel te vergroten,' schreef Harry Mulisch in Voer voor psychologen, en het is juist de onoplosbaarheid van het raadsel dat De donkere kamer zo bijzonder maakt. Er ís geen antwoord. Hoewel uitspraken van de auteur zelden betrouwbaar zijn, haal ik toch graag Hermans zelf aan, die stelde dat het niet uit te maken is 'wie Dorbeck geweest is, of hij bestaan heeft of niet, aan wiens kant hij stond'. Of we dat moeten geloven, is weer een ander raadsel.

Met recht een klassieker

Het is niet alleen dit spel rondom de mysterieuze Dorbeck, maar ook de spanning en het ontluisterende tijdsbeeld dat na meer dan een halve eeuw verbluffend overeind blijft. Hoe Hermans uiterlijkheden, zoals die van de Britse kolonel Smears, beschrijft is fenomenaal:

'Zijn hoofd was kaal op het onderste van zijn nek na. Deze nekharen had hij laten uitgroeien tot enige decimeters lengte, die hij van achteren naar voren over zijn schedel had geplakt. Zijn gezicht was blauwachtig roze, zijn ogen waarin de opmerkelijkste kleur het vergeelde wit was, puilden uit, het vel van zijn dikke neus was rood en strak gespannen als het rubber van een ballon. Maar het merkwaardigste aan hem was, onder deze neus, zijn snor. Een snor die de vorm had van een zandloper en de kleur van koper dat enige eeuwen lang elke week met Brusselse aarde is gepoetst.'

De scène waarin Osewoudt en Moorlag in amateuristisch geïmproviseerde vermomming over straat gaan, getuigt eveneens van een duister soort humor, in een tijd die daar nauwelijks aanleiding voor geeft. Het is misschien juist dat spanningsveld dat voor voor de tragi-komische ondertoon zorgt:

'- Je moet je vermommen, zei Moorlag. Dat is het beste. Kun je je snor niet laten staan?
- Nee. Ik heb geen snor.
- O neem mij niet kwalijk. Wil je mijn bril?
[...]
- Kun je nog wat zien? Vroeg Moorlag. Ik ben erg bijziend, het is een sterke bril, min vier en het rechterglas is bovendien cylindrisch.
- Ik zie geen flikker meer.
- Ik net zo min. Ik kan niet kijken zonder bril.'

De roman kan met recht klassiek genoemd worden. Het is een vormtechnisch en stilistisch haast perfect verhaal - Hermans heeft, vooral in de eerste drie drukken, de kleine oneffenheden eruit gefilterd. ('Ik houd veel van veranderen,' schreef hij in 1958.) Niet alleen de ontstaansgeschiedenis, nauwkeurig onderzocht en gedocumenteerd door het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, maar ook de receptie van De donkere kamer is intrigerend: 'De roman werd vrijwel unaniem positief onthaald en geprezen om zijn literaire kwaliteiten', schrijft Hugo Brems, maar het boek is ook als moreel verwerpelijk en zelfs als 'fascistoïde' bestempeld.

Waren ze in de jaren vijftig al overtrokken en dubieus, decennia later zijn deze laatste twee stempels volledig vergaan en zijn het enkel de literaire kwaliteiten die de tijd hebben doorstaan. De donkere kamer is, zo blijkt ook bij herlezen, elke bestaande en toekomstige lofrede waard.

Irwan Droog studeert Literatuurwetenschap (Ma) aan de Vrije Universiteit, Amsterdam, en is redacteur van Recensieweb.nl.

MINDBOOKSATH : athenaeum