Recensie: De data en de schrijverslevens die zich daar niets van aantrekken

30 november 2015 , door Bob Hopman
| | | | | | | | | | | | | | |

‘1905. Zomaar een jaartal. Een toevallig moment in de eeuwigheid, vermomd als chronologische orde.’ Zo leidt gastredacteur Maarten Asscher Armada 68 in, dat gewijd is aan ‘cruciale data in de literatuurgeschiedenis’, en 5 oktober gepresenteerd wordt bij Spui25. Een sterke aanzet tot een verzameling essays over al die schijnbaar willekeurige data in de levens van beroemde schrijvers. 4 oktober 1866, begin van ‘de grote romans’ van Fjodor Dostojevski. Een ontmoeting op 16 juni 1904, katalysator in het schrijversleven van James Joyce. 28 maart 1948, het einde van Shen Congwens schrijverschap. Door bob hopman.

Het markeerpunt bij Haasse en Dostojevski

‘Er zijn in schrijverslevens […] data aan te wijzen die een zodanig innerlijke doorwerking hebben gekregen dat zij niet slechts de levensloop kenmerken, maar ook als een scharnier, een wissel, een kruising een beslissende ontwikkeling in gang zetten of het begin van een volstrekt nieuwe fase in het werk of het schrijverschap van de betreffende auteur markeren.’

Met deze woorden, nog steeds uit de inleiding, waarmee Asscher het thema van Armada 68 rechtvaardigt, ben ik het maar ten dele eens. Jazeker, bepaalde data kunnen een markeerpunt zijn. Als zodanig kunnen ze dienen als aanleiding voor een essay, als uitgangspunt. Maar als Margot Dijkgraaf zegt dat Hella Haasses werk en haar Proustiaanse thematiek zijn ‘begonnen op 20 juli 1938, de dag waarop ze als twintigjarig meisje de boot nam naar Holland’, lijkt me dit een haast groteske overschatting van een tijdstip. Het gaat hier immers om een vrouw die zichzelf over een periode van een halve eeuw doorontwikkelde als kunstenares.

Het siert Willem G. Weststeijn dat hij zijn essay over Dostojevski nog in laatste alinea relativeert: ‘Het is misschien overdreven te beweren dat we zonder haar verschijning bij Dostojevski op 4 oktober 1866 geen grootse roman als De broers Karamazov zouden hebben.’

Op die vierde oktober immers ontmoette Dostojevski de vrouw die zijn stenografe en later ook zijn tweede vrouw zou worden. Dit leverde de ziekelijke, onbetrouwbare en in de omgang haast onmogelijke romancier in praktische zin veel op: de solide Anna Grigorjevna Snitkina onderhield hem, verzorgde hem, zette zijn gedachten op papier. Maar Dostojevski had op dat moment al een bewogen leven achter de rug. De vraag hoe zijn wereldbeeld tot stand kwam, waardoor zijn genie is gekomen tot wereldberoemde romans, die vragen die mij juist interesseren aan biografische teksten, worden totaal niet beantwoord met deze haast triviale ontmoeting.

De vorming van de kunstenaar: Shen Congwen

In andere bijdragen wordt speelser omgegaan met de data, met als een van de mooiste voorbeelden Mark Leenhouts  ‘Met gestold gemoed’, over de Chinese schrijver Shen Congwen op 28 maart 1949. Of liever gezegd, Congwen op weg naar 28 maart 1949, de datum waarop hij het schrijverschap definitief opgaf.

Het gaat hier om een aanvankelijk Westers georiënteerde, zeer getalenteerde en wat liberale schrijver, die een leerstoel aan de universiteit van Peking weet te veroveren. Hij voelt echter, met alle burger- en wereldoorlogen op de achtergrond, dat zijn invloed als auteur begint te tanen. Mao Zedong, die een literatuur van ‘arbeiders, boeren en soldaten’ predikt, maakt een sterke opmars en zijn groeiende politieke invloed benauwt Congwen. Waar het essay opent met parafrases van diens – overigens zeer mooie - vroege fictie, worden naarmate de ondergang nadert briefcitaten steeds belangrijker. In 1948 schrijft hij, dan nog rationeel klinkend:

‘Twintig, dertig jaar lang ben ik met mijn pen altijd van het woord “denken” uitgegaan, nu moet ik opeens van het woord “geloven” uitgaan; die omslag valt me zwaar. Over niet al te lang zal ik mijn pen wel moeten neerleggen, als ik er al niet toe gedwongen word. Dat is voor velen van mijn generatie de onvermijdelijke uitkomst.’

Maar nauwelijks enkele maanden later komt hij verwarder over, moedelozer ook.

‘Mijn wilskracht, wat is dat dan? Alles wat ik heb geschreven is slecht, dat zeggen anderen tenminste. Ik weet niet eens meer wat ik geschreven heb. [...] Geef me rust, een pijnloze rust waaruit ik niet meer hoef te ontwaken.’

En de metamorfose zet zich voort, tot hij na momenten van extreme vertwijfeling schrijft van zijn ‘mentale hergeboorte’, zijn ‘vrijwillige straf’ en zin wil om ‘voor de rest van [zijn] leven iets nuttigs te doen voor het volk.’ Zijn hoop in het vrije woord heeft hij opgegeven, als schrijver wil hij zijn nieuwe rol niet vervullen.

Het is een 1984-achtig, beklemmend einde van een mens, door zowel zijn eigen brieven als die van zijn maoïstische zoon, die ‘papa weer op wil voeden’, als door de zorgvuldige opbouw waarmee Leenhout het allemaal op papier zet. De ontwikkeling, de verwording van een kunstenaar tot een soort untermensch, en daarmee eigenlijk van de kunst in heel China, is waar dit essay om draait en níét de datum die in de titel te vinden is. Er zijn meer bijdragen met zo’n verzorgde opbouw – vooral Kees Mercks’ essay over de tekenen van de aankomende zelfmoord in het tamelijk onbekende, maar prachtige proza van Bohumil Habral of dat van Hero Hokwerda, over de Cypriotische Yorgos Seferis en het ontstaan van diens eigen Odyssee.

Uiteindelijk leidt dit ertoe dat misschien het thema van Armada 68 niet al te geslaagd is en dat de enkele bijdragen die zich hier te strak aan houden dat evenmin zijn. Maar die essayisten die hun eigenzinnigheid weten te behouden, maken dit uiteindelijk meer dan goed.

Bob Hopman is neerlandicus (Ma) en lid van de hoofdredactie van Recensieweb.nl.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum