Recensie: Hoogstpersoonlijke filosofie

30 november 2015 , door Pieter Hoexum
| | | | | | |

Arnold Heumakers las voor NRC Handelsblad van afgelopen week twee boeken van Nederlandse filosofen, Stine Jensen en Coen Simon. En hij schrok zich een hoedje. Ze blijken namelijk niet alleen filosoof, maar ook moeder en vader (al hebben ze niet sámen kinderen) en brengen in hun boeken hun ervaringen met het ouderschap ter sprake. Het werd Heumakers allemaal te veel.
Om zijn weerzin tegen dit soort hoogstpersoonlijk gefilosofeer te onderbouwen, zocht Heumakers steun bij de éminence grise van de Nederlanse filosofie, Hans Achterhuis. Tevergeefs, want juist de ‘denker des vaderlands’ schrijft vanuit grote persoonlijke betrokkenheid, zoals ook weer blijkt uit zijn nieuwe boek Zonder vrienden geen filosofie. Door pieter hoexum.

Vrijgezellenbestaan

De ideale filosoof voor Heumakers is blijkbaar Immanuel Kant, over wie Heinrich Heine schreef dat het ‘moeilijk [is] om de levensgeschiedenis van Immanuel Kant te schrijven, want hij had noch een leven, noch een geschiedenis. Hij leidde een mechanisch geordend bijna abstract vrijgezellenbestaan in een stil afgelegen straatje in Koningsberg, een oude stad aan de noord-oostgrens van Duitsland.’ Toch schreef een tijd geleden Manfred Kühn een dikke en boeiende biografie van Kant, waaruit vooral naar voren kwam dat Kants theorieën niet in een vacuüm ontstonden: als er voor iemand gold ‘zonder vrienden geen filosofie’, was het Kant wel.

Het artikel van Heumakers was vooral een klaagzang over de teloorgang van de echte filosofie. Wat dat precies is, bleef onduidelijk. Heumakers schreef het zelf tussen aanhalingstekens (‘echte filosofie’) maar zal dat niet als ironietekens bedoeld hebben. Wellicht verwees hij naar Oudemans’ gelijknamige boek? Hoe dan ook, Heumakers maakt vooral duidelijk wat ‘echte filosofie’ (ik neem de aanhalingstekens maar over) niet is: het schurkt niet tegen de wetenschap aan, noch de exacte noch de sociale, het is niet het becommentariëren van de denkers van weleer en ook geen cultuurkritiek, en zeker geen levenskunst.

Levenskunst?

Het is wel bizar om, zoals Heumakers doet, Simon weg te zetten als aanhanger van de levenskunst, gezien diens eerdere bundeling van persoonlijke essays, Waarom we onszelf zoeken maar niet kunnen vinden, waarin hij korte metten maakt met de ‘zelfhulpcultuur’. Heumakers valt hem aan op het te hoge autobiografische gehalte, iets waarvoor Simon door Menno Lievers in NRC nog geprezen werd, en terecht: ‘Coen Simon doet in deze bundel geregeld aan Rudy Kousbroek denken; dezelfde gevoeligheid voor details, die op het eerste gezicht geen zichtbare functie hebben, maar die vervolgens door hem in een zingevend verband worden geplaatst.’

Maar Lievers had wel een interessante kritische noot te kraken: hoe mooi Simon volgens hem ook schrijft, hij denkt niet altijd streng genoeg. En bij die eis van strengheid sluit Achterhuis weer aan. Het hoofdstukje ‘Hoe persoonlijk te schrijven?’ begint met het voorbehoud dat Achterhuis, als filosoof, wil maken: hij houdt zich verre van zoiets als de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Een filosoof dient streng te zijn en kritisch. Dat klonk Heumakers ongetwijfeld als muziek in de oren, maar vervolgens legt Achterhuis uit dat ook persoonlijk schrijven noodzakelijk is. Is dat mogelijk, streng, kritisch en persoonlijk en betrokken te zijn? Kun je koel/objectief/afstandelijk én warmbloedig/ betrokken/bevooroordeeld zijn?

Het blijkt niet alleen mogelijk maar vooral noodzakelijk. Achterhuis zegt het niet met zoveel woorden, maar het komt erop neer dat hij zijn positie duidelijk wil maken. Hij wil graag, omwille van helderheid en duidelijkheid, zo letterlijk mogelijk het standpunt van waaruit hij redeneert situeren. Kortom, precisie, strengheid en een persoonlijke, autobiografische stijl sluiten elkaar niet uit, maar kunnen juist niet zonder elkaar. Volgens Heumakers is filosofie theorie, maar, zoals algemeen bekend, is niets zo praktisch als een goede theorie.

Troost

Inzichtelijk maakt Achterhuis het aan de hand van de filosoof Machiavelli, als die al zo genoemd mag worden – maar hoe moet hij anders heten? Achterhuis blijkt een groot bewonderaar: ‘Belangrijk is dat Machiavelli geen abstracte filosoof, maar eerder verhalenverteller is. Zijn wijsgerige visie wordt zichtbaar in de voorbeelden die hij uit het verleden haalt en uit de actuele gebeurtenissen die hij deels ontleent aan zijn werkzaamheid als diplomaat van de stad Florence.’

Als zodanig biedt Machiavelli Achterhuis zelfs troost. Wie had dat gedacht? ‘Als verhalenverteller die zijn eigen mislukte politieke carrière impliciet in zijn teksten een plaats geeft, inspireert Machiavelli mij kennelijk tot een eigen verhaal om met gevoelens van verlies om te gaan.’

Over troost gesproken, Simon en Jensen kunnen de oorvijg die Heumakers hen uitdeelde misschien maar het beste zien als een ridderslag.

Pieter Hoexum is filosoof, publicist (voor o.a. Trouw) en huisman. Hij was boekverkoper bij Athenaeum Boekhandel. Zijn boek Gedenk te sterven. De dood en de filosofen verscheen in 2003, in 2012 verschijnt Reis door mijn rijtjeshuis. Kleine filosofie van het wonen. Hij heeft nu een website, pieterhoexum.wordpress.com.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum