Recensie: Inquisitie en tolerantie: hoe de geschiedenis zich tot het heden verhoudt

30 november 2015 , door David Peeperkorn
| | | |

‘De politieke maatregelen in de Verenigde Staten die volgden op 9/11 uit naam van de War on Terror baarden mij zorgen. Ze deden me denken aan de tijd van de Inquisitie. Gekoppeld aan het feit dat ik een katholiek ben, zorgde dit ervoor dat ik dieper in het onderwerp wilde duiken,’ vertelde Cullen Murphy, editor-at-large van Vanity Fair aan het Historisch NieuwsbladGod’s Jury: The Inquisition and the Making of the Modern World is een persoonlijk, gedreven boek, en in de eerste plaats journalistiek boek. Maar zijn zijn associaties terecht? Wie ook Simon Schama’s Huizingalezing Waar is de tolerantie gebleven? leest, begint daar al snel over te twijfelen. david peeperkorn over macht, religie, tolerantie en wetenschappelijkheid.

Persoonlijke associaties, een globale schets

Hoe persoonlijk het verhaal van Cullen Murphy is, blijkt niet alleen uit de vermelding dat hij katholiek is maar ook uit de exacte beschrijvingen van locaties en ontmoetingen met kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders. En ja, misschien is het een mooi streven om ‘geschiedenis te verbinden met het heden’, en dit op een populair-wetenschappelijke manier te doen. Maar daarvoor is meer nodig dan een gedachtenassociatie van de Inquisitie met het regime van Bush jr. ‘The past is a foreign country; they do things differently there,’ wist L.P. Hartley al, en dat hoort boeken met de pretentie populair-wetenschappelijk te zijn ook te bepalen. Het had Cullen gesierd als hij zich daar rekenschap van had gegeven; het basisidee van God’s Jury is al te los en makkelijk.

God’s Jury bevat slechts een globale chronologie van de geschiedenis van de Inquisitie. Die biedt weinig nieuws. Het is ook niet mogelijk om in een zo kort bestek – 254 pagina's – naast alle persoonlijke observaties een degelijke geschiedenis van de Inquisitie te schrijven. In zoverre is het boek inderdaad populair-wetenschappelijk. Murphy maakt onderscheid tussen de Middeleeuwse (tegen de Katharen), de Spaanse en de Roomse Inquisitie. Het bijzondere van de Spaanse Inquisitie is daarbij volgens Murphy dat het om een instelling van de Spaanse Staat gaat, niet om een instelling van de Katholieke kerk. Dat het onderscheid tussen kerk en staat van later datum is en wellicht niet aan Spanje besteed, laat hij onvermeld.

En hij spreekt van een ‘wereldomvattende’ Inquisitie ('The Global Inquisition', die zich weliswaar beperkte tot Portugese en Spaanse gebieden overzee), die volgens Cullen culmineerde in de recente vervolgingen van Teilhard de Chardin S.J. en Graham Greene door de Katholieke kerk. Dat wil natuurlijk niet meteen zeggen dat de Inquisitie van betekenis is voor de hedendaagse samenleving.

Pluriformiteit en vrijheid

Het belangrijkste punt van kritiek is dat Cullen Murphy blijkbaar niet onderkent dat de moderne samenleving pluriform is. De Inquisitie diende om de ideologie van de Katholieke kerk te beschermen en past niet in een samenleving waarin men van alles denkt en waarin iemand die behoefte heeft aan een godsdienst uit velerlei religies kan kiezen. Daarom alleen al ontbreekt een historisch verband met de Inquisitie. Daaraan doet niet dat allerlei fundamentalistische sektes, zowel christelijke als islamistische de wind in de zeilen hebben; onze samenleving blijft pluriform.

Een ander bezwaar is dat Cullen Murphy geen onderscheid maakt tussen enerzijds de onvrijheid van de Katholieke kerk (de vervolgingen van Teilhard de Chardin en Graham Greene; zo ook de banvloek over theologen als Küng en Schillebeekx) en anderzijds die van Big Brother, de moderne Staat, met de alomtegenwoordigheid van camera’s en verfijnde marteltechnieken. Toch is dat van belang. Godsdiensten zijn veroordeeld tot onvrijheid – het is de prijs die gelovigen betalen voor het bezit van die Ene Waarheid – maar het bestaansrecht, de ratio van de (democratische) Staat is om vrijheid te scheppen.

Marteling en macht van alle tijden

Cullen Murphy maakt wel indruk wanneer hij bloot legt dat waterboarding een techniek is die de Inquisitie al gebruikte - de toca, in modern Spaans heet deze marteling submarino – en dat zijn regering heeft gelogen over deze marteling: het gaat niet om de ‘schijn van verdrinken’ maar men kan realiter aan deze marteling sterven. Evenzeer is Cullen Murphy onweerlegbaar wanneer hij waarschuwt tegen de alomtegenwoordigheid en macht van moderne staten; de techniek staat voor niets.

Maar dat maakt God’s Jury nog geen geslaagd boek. De wetenschap behoudt de herinnering aan de Inquisitie als een historisch verschijnsel - een huiveringwekkend verschijnsel - dat behoort tot ons gezamenlijk verleden. Dit verschijnsel leeft voort in onze cultuur; te denken valt aan Dostoviesky’s klassieke verhaal van de Groot-inquisiteur in de Gebroeders Karamazov en aan de serie kardinalen van Francis Bacon. Maar Cullen bewijst aan die gezamenlijke herinnering geen dienst als hij wetenschap suggereert waar associatie overheerst. Want bij het ons herinneren zijn wij op die wetenschap aangewezen.

Tolerantie spreekt niet vanzelf

Het kan wel, verleden en heden vergelijken, dat toont Simon Schama aan in Waar is de tolerantie gebleven?, de Huizinga-lezing 2011, vertaald door Mario Molegraaf. Het alom toenemend fundamentalisme, zowel van christelijke als van islamitische komaf, plus de verwarring van social media zijn voor Schama reden zijn lezing geheel te wijden aan het ontstaan van de tolerantie, de verdraagzaamheid, in het Europa van de zestiende eeuw. Schama gebruikt een belangrijke functie van wetenschappelijke geschiedbeoefening om, zoals hij het noemt, als horzel te fungeren, door burgers en vooral politici aan het denken te zetten en te herinneren aan het verleden (en wat er toen is misgegaan). Dat doet Schama in een historisch vlekkeloos betoog. Hij brengt in herinnering hoe en waarom in het Europa van de zestiende eeuw de tolerantie – als beginsel – is ontstaan en heel moeizaam is gegroeid.

Schama herinnert aan figuren als Montaigne – zijn Que sais-je? - , aan onze eigen Coornhert en Gerard Noodt, aan Milton en Locke , aan Bayle en Voltaire en, tijdens de Franse revolutie aan Rabaut St. Etienne. Niet in de laatste plaats herinnert Schama aan de opvattingen van Jefferson. Hij schetst een rijk verleden dat aantoont dat tolerantie niet vanzelf spreekt maar tot nu, het recente verleden, steeds bevochten moest worden. Schama noemt Presser die op transport werd gesteld naar Sobibor, hij verloor daar zijn vrouw, P. Geyl in Buchenwald en de marteldood van de Franse, joodse, historicus Marc Bloch.

Hij wijst erop dat men er niet komt met de gedachte dat nu Hitler eenmaal is verslagen, tolerantie een vanzelfsprekende zaak is. Hij wijst op Jan Romein die als gevolg van het McCarthyisme, in de Verenigde Staten persona non grata werd. Én hij wijst op het zeer recente Noorse drama.

Schama deelt, met andere woorden, niet het vertrouwen van John Stuart Mill en komt tot de volgende slotsom:

‘Moet dus de gunst van de tolerantie worden uitgebreid tot hen die er geen geheim van maken op de ondergang ervan uit te zijn? Het lijkt me in dit geval dat we geen andere keus hebben dan ons aan de zijde van Milton en Locke te scharen. Op die manier vraag je om zelfmoord op de wijze van de Republiek van Weimar. Zulke verschijnselen moet niet het zwijgen worden opgelegd en al helemaal niet achter slot en grendel belanden, ze moeten alleen worden uitgesloten van enige beslissende rol bij het scheppen of bedrijven van democratie zolang ze tegen een formele, onomkeerbare bestendiging daarvan zijn.’

Een duidelijke conclusie. Maar beland je niet aanstonds weer in een heksenjacht? Zo is de cirkel rond, want heksenjachten waren een specialisme van de Inquisitie. Stof voor debat, beide boeken.

David Peeperkorn is jurist. Hij is de schrijver van Jean-Jacques Rousseau en zijn uitgever Marc-Michel Rey ( Walburg Pers, 2009) en droeg bij aan Ik heb U den Havelaar niet verkocht, Multatuli contra Van Lennep.   

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum