Recensie: It’s the institutions stupid!

30 november 2015 , door Misha Velthuis
| | | | | | | |

Je moet het maar durven om je boek Why Nations Fail: The Origins of Power, Prosperity and Poverty te noemen. Daron Acemoglu en James A. Robinson deinsden er niet voor terug. Sterker nog, de bombastische titel past uitstekend bij de overtuiging waarmee ze hun ideeën brengen: Jared Diamond, David Landes, Jeffrey Sachs, ze hadden het allemaal bij het verkeerde eind. De oorzaak voor mondiale welvaartsverschillen ligt niet in geografie of cultuur; it’s institutions stupid(s)! Door misha velthuis.

Deze editie van Why nations fail begint met dertien enthousiaste lofbetuigingen. Nog voordat de Turks-Amerikaanse econoom Acemoglu en de Amerikaanse politicoloog Robinson zich hebben kunnen voorstellen, worden ze al bezongen door onder meer vijf winnaars van de Nobelprijs voor de economie. Wat valt hier nog aan toe te voegen? Wel, een gezonde dosis scepsis. Hoewel een deel van het enthousiasme terecht is, maken Acemoglu en Robinson de hoge verwachtingen niet volledig waar.

Waarom bestaat er ongelijkheid in de wereld?

De theorie van Acemoglu en Robinson berust in de eerste plaats op een tweedimensionale categorisering van instituties: ze onderscheiden politieke van economische instituties, en ‘inclusieve’ van ‘extractieve’ instituties. Waar inclusieve politieke instituties worden gekenmerkt door een combinatie van machtsdeling, medezeggenschap en politieke centralisatie, worden extractieve politieke instituties gekenmerkt door een gebrek daaraan. En waar inclusieve economische instituties worden gekenmerkt door een sterk eigendomsrecht in een onbevooroordeeld rechtssysteem dat de vrijheid van handelen garandeert, worden extractieve economische instituties gekenmerkt door de afwezigheid daarvan.

Met deze concepten verklaren de auteurs de verschillen tussen arm en rijk: welvaart is het gevolg van inclusieve instituties, armoede van extractieve instituties. Politieke en economische instituties versterken elkaar, in de vorm van sterke terugkoppelingen. In de samenloop van kleine historische verschillen, unieke ingrijpende gebeurtenissen en toeval raken volkeren verstrikt in een negatieve spiraal van extractieve instituties of vinden ze hun heil in de positieve spiraal van inclusieve instituties.

Neem Noord- en Zuid-Korea. Vlak na de Tweede Wereldoorlog verschilde het noorden nauwelijks van het zuiden. Door de samenloop van omstandigheden ontwikkelden zich na de oorlog in het zuiden inclusieve instituties en in het noorden extractieve. Waar zich in het zuiden een sterke innovatieve economie ontwikkelde, werd elke innovatie in het noorden gesaboteerd door het communistische regime. Dit gebeurde zowel direct, uit angst voor ‘creatieve destructie’ en nieuwe rijken, als indirect, doordat de afwezigheid van eigendomsrecht innovatie ontmoedigt.

Lege generalisatie?

Acemoglu en Robinson verklaren zo niet alleen de verschillen tussen Noord- en Zuid-Korea, maar ook waarom de industriële revolutie in Engeland begon, waarom de Hoorn van Afrika zoveel armoede kent en waarom Zuid-Amerika een traditie van autocratie kent. Maar dit is niet alles. Ze verklaren op dezelfde manier ook waarom Sierra Leone geplaagd wordt door geweld, waarom Botswana er tegenwoordig zo goed voor staat, waarom Midden-Europa armer is dan West-Europa, waarom de Sovjet-Unie ten onder ging, waarom het zuiden van de VS van oorsprong minder welvarend is dan het noorden en waarom de huidige economische groei in China op de lange termijn niet houdbaar is. En dat is nog maar een selectie. Welk tijdperk of continent de auteurs ook onder de loep nemen, hun theorie komt geen moment in het nauw. Het leest heerlijk, zo’n consistent verhaal, maar het roept uiteindelijk ook argwaan op. In hoeverre staat hun theorie eigenlijk open voor kritiek?

In tegenstelling tot eenduidige theorieën - bijvoorbeeld in de wis- of natuurkunde - worden grote theorieën als die van Acemoglu en Robinson doorgaans niet afgeschreven op basis van enkele ‘zwarte zwanen’: situaties die niet aan de theoretische verwachting voldoen. Het doel is immers om een algemeen patroon te vinden, niet om alles te kunnen verklaren. Het is daarom verrassend dat Acemoglu en Robinson vroeg in het boek zo rigoureus afrekenen met de theorieën van Jared Diamond (Guns, Germs and Steel), Jeffrey Sachs (bijvoorbeeld Our Common World) en David Landes (The Wealth and Poverty of Nations). Vooral ook omdat ze hun eigen theorie niet aan dezelfde discipline onderwerpen.

Waar enkele anomalieën Jared Diamond de das om doen, dekken Acemoglu en Robinson zich vakkundig in tegen hun eigen zwarte zwanen: soms is groei onder extractieve instituties wel mogelijk. Zo erkennen ze dat negatieve en positieve spiralen regelmatig worden doorbroken door ‘toevalligheden’, blijven landen met veel olie buiten beschouwing, en accepteren ze dat sommige landen gewoon afhankelijk zijn van verlicht leiderschap. Door hun eigen theorie op een voetstuk te plaatsen en geografische en culturele theorieën compleet af te schrijven, laten de auteurs een kans schieten om een genuanceerd verhaal te vertellen.

De kracht van een simpel verhaal

Natuurlijk hebben de auteurs bewust voor een consistent en simpel verhaal gekozen. Zoals Steven Levitt - auteur van Freakonomics – over het boek zegt: ‘Brilliant in its simplicity and power... wonderfully readable.’ Hij heeft grotendeels gelijk. Dat komt niet alleen door de consistentie van het verhaal, maar ook door de originaliteit van de bewijzen die worden aangevoerd. Zo leiden Acemoglu en Robinson de economische activiteit van de Romeinen af uit de koperneerslag in ijskernen op de Noordpool en benadrukken ze het belang van intellectueel eigendomsrecht als motivatie voor innovatie door James Watt, de uitvinder van de stoommachine, zelf te citeren uit een brief aan zijn vader:

Dear father, After a series of various and violent Oppositions I have at last got an Act of Parliament vesting the property of my new Fire engines in me and my Assigns, throughout Great Britain & the plantations for twenty five years to come, which I hope will be very beneficial to me, as there is already considerable demand for them.’

Wie echter op zoek is naar een kritische historische analyse van de globale politiek-economische ontwikkeling vindt in Why Nations Fail geen heilige graal. Het simplistische onderscheid tussen politiek en economie, het problematische gebruik van de term ‘natie’, en bovenal de onduidelijkheid rond het kernbegrip ‘instituties’ (daarmee worden afwisselend regels, organisatievormen en machtstructuren bedoeld) roepen vragen op die de ogenschijnlijke elegantie van Acemoglu en Robinsons theorie op den duur ondermijnen. Fukuyama's The Origins of Political Order doet het wat dit betreft een stuk beter.

Wie op zoek is naar een leesbaar, boeiend en consistent pleidooi voor ‘inclusieve instituties’ is bij Acemoglu en Robinson wel aan het juiste adres. En, laten we niet vergeten dat het boek met zijn groteske titel wel erg goed in je boekenkast staat: ‘why nations fail: the origins of power, prosperity and poverty’.

Misha Velthuis studeerde Fysische Geografie (BA) en Politicologie, richting Internationale Betrekkingen (MA). Momenteel promoveert hij op de Open Universiteit op een onderzoek naar de rol van conflict binnen duurzame innovatie (met een focus op ontwikkelingslanden).

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum