Recensie: Onder de geur van sinaasappelbloesem

30 november 2015 , door Jerker Spits
| | |

Julia Franck brak in 2007 internationaal door met haar roman Die Mittagsfrau (vertaald door Goverdien Hauth-Grubben als De middagvrouw). Het boek verscheen in 34 talen en won de prestigieuze Deutscher Buchpreis. Over de opvolger Rug aan Rug is de Duitse literaire kritiek minder te spreken. Toch bewijst Franck ook in haar nieuwe roman een knap vertelster te zijn. Door jerker spits.

Net als in Die Mittagsfrau schrijft Franck over het Duitse verleden, en put hiervoor uit de geschiedenis van haar eigen familie. Het boek vertelt over de kinderen Thomas en Ella, die opgroeien in de DDR van de jaren vijftig. Hun moeder Käthe is een joodse kunstenares. Ze heeft de oorlog overleefd en haar hoop gevestigd op het socialistische Duitsland. Ze bekommert zich niet om haar kinderen, die met z’n tweeën, ‘rug aan rug’, opgroeien. Käthe is beeldhouwster, net als Francks eigen grootmoeder. De jonge Thomas is dichter, net als Francks eigen oom, van wie een gedicht als motto is opgenomen.

‘Hans en Grietje in de DDR’

De moeder van Thomas en Ella is een getraumatiseerde overlever van een concentratiekamp. Hun vader is in de oorlog om het leven gekomen. Ella wordt tot twee maal toe verkracht: eerst door haar stiefvader, dan door de benedenbuurman. Thomas mag in de DDR als kind van academici niet studeren, maar moet de steengroeve in, waar hij wordt getreiterd en gepest. Bij elkaar is dit veel leed, dat elkaar in hoog tempo opvolgt. Tegenover de boze buitenwereld staan de jonge en onbedorven Thomas en Ella. De Frankfurter Allgemeine sprak venijnig van ‘Hans en Grietje in de DDR’.

De tegenstellingen zijn inderdaad schematisch. De jonge Ella is een onschuldig meisje. De benedenbuurman die haar verkracht een smeerlap. En hij werkt ook nog eens voor het ministerie van Staatsveiligheid. Het sterke aan Die Mittagsfrau – een roman over een moeder die in de oorlog haar kind in de steek laat – was dat hij je als lezer deed meeleven met de worstelingen van de hoofdfiguur. Juist doordat Franck de toon nuchter hield, kreeg de lezer de ruimte zijn eigen gevoelens te projecteren. Hoe je in moeilijke tijden verkeerde beslissingen kunt nemen – door Francks boek begréép je dat. In Rug aan Rug is dat minder. Daarvoor staan de zwart-wittyperingen te veel in de weg.

Maar de roman bevat gaandeweg steeds meer knappe scènes, waardoor je als lezer toch mee gaat leven. Bijvoorbeeld wanneer Thomas als hulp in een ziekenhuis werkt. Dat doet hij onbeholpen, schuchter, klungelig, gadegeslagen door giechelende verpleegsters. ‘Nog nooit had hij iemand anders gewassen.’ Deze periode in Thomas’ leven is met een akelige kennis van ziekenhuispraktijken en veel oog voor pijnlijke details geschreven. ‘Een ziekte komt zelden alleen, suiker met nierschade en nierfalen, gruis en stenen, vervette lever en beroerte komen erbij. Hoe ouder ze zijn, hoe taaier hun lichaam blijkt te zijn, des te meer ziektes verzamelen zich’.

Beeldend

Als het om de stijl gaat, krijg je als lezer wel het een en ander voor je kiezen. Rug aan Rug bevat vreemde vergelijkingen (‘de vreemde glans van zijn braakliggende ziel’), en clichés worden niet geschuwd. De honing is goudkleurig, de kou ijzig en wangen zijn bijna altijd rood. Dat ligt niet aan de prima vertaling van Goverdien Hauth-Grubben – het is in het Duitse origineel net zo. Toch merk je dat Franck een getalenteerd vertelster is. In de bossen van Castelvetrano kan Käthe ‘onder de geur van sinasappelbloesem’ vergeten ‘dat je in Duitsland meningen had volgens welke zij er helemaal niet zou mogen zijn’. Even beeldend beschrijft Franck de betovering van Brahms vioolconcert of de herinnering van Käthe aan haar eigen vader:

‘Käthe was er vast niet goed van geworden dat uitgerekend degene die voor haar het vaderland en de halve wereld had geopend, die niet alleen aan de universiteit had lesgegeven en het stikstofonderzoek had geleid, maar de man die zijn vrouw en zijn kinderen tien jaar daarvoor nog had meegenomen op reizen naar het Engadin, naar het mondaine Parijs en de academie in Florence, haar de gebroken schoonheid van de Alpenleisteen had laten zien, de turquoise schittering van de Bodensee en het Musée Rodin in Parijs, dat die man, haar vader, nu in zijn donkere huis in Berlijn-Westend zat, met dichte gordijnen, uitgesloten van het lesgeven, ontslagen als directeur van de stikstoffabriek, en zijn bestaan in het laboratorium sleet en ondergeschikt was aan degenen die hem dwongen zijn vrouw in de kelder van zijn huis op te sluiten.’

Dat is een zin waaraan Thomas Mann nog een puntje kan zuigen. Rug aan Rug is een goede, maar wel onevenwichtige roman.

Jerker Spits is germanist. Hij promoveerde in 2008 op een proefschrift over de Duitstalige autobiografie en schreef over Duitse literatuur voor Trouw, De Gids en De Academische Boekengids.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum